ECLI:NL:RBMNE:2025:3466

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
11786651
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BWArt. 7:271 BWArt. 7:274 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing kort geding voor toegang tot gehuurde zolderruimte en voorzieningen

Eiser woont sinds 17 februari 2025 in een zolderruimte van de woning van gedaagde en betaalt hiervoor maandelijks €1.100,00. Gedaagde stelde dat het een inwoningsovereenkomst op basis van kostgeld betrof en zegde de overeenkomst per 1 juli 2025 op. Eiser vordert in kort geding toegang tot de zolderruimte en gedeelde voorzieningen onder dwangsom.

De kantonrechter acht het zeer aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een huurovereenkomst, mede vanwege de schriftelijke overeenkomst waarin sprake is van 'rent' en 'tenant'. De opzegging door gedaagde zonder geldige reden en op korte termijn is niet toegestaan. De vorderingen van eiser worden toegewezen en gedaagde wordt veroordeeld tot het verlenen van toegang en betaling van een dwangsom.

In reconventie vordert gedaagde onder meer dat de huurovereenkomst niet bestaat en eiser zich moet uitschrijven, maar deze vorderingen worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om eiser per direct toegang te verlenen tot de zolderruimte en gedeelde voorzieningen, onder dwangsom en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11786651 \ UV EXPL 25-166 WMB/61313
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 14 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. van Veen,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.M. Bakker als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer [eiser] (via elektronische verbinding),
- mr. R. van Veen, gemachtigde van [eiser] ,
- mevrouw [gedaagde] .
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter na een korte onderbreking op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De kern van de zaak

1.1.
[eiser] wil dat [gedaagde] in dit kort geding wordt veroordeeld om hem toegang te verlenen tot de zolderruimte (en de gedeelde voorzieningen) die hij sinds 17 februari 2025 van haar huurt in de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] (hierna: de woning). Volgens [gedaagde] hoeft zij [eiser] niet meer in de woning toe te laten, omdat er geen sprake is van een huurovereenkomst, maar van een inwoningsovereenkomst op basis van kostgeld, die zij op 24 juni 2025 per 1 juli 2025 heeft opgezegd. [gedaagde] wil dat [eiser] zich uitschrijft uit de woning en haar een vergoeding betaalt voor de schade die zij heeft doordat hij deze procedure is gestart. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen en de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.

2.De beoordeling

in conventie
Spoedeisend belang
2.1.
[eiser] heeft spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat [gedaagde] heeft aangegeven hem geen toegang te zullen verlenen tot de woning, anders dan om op 15 juli 2025 zijn spullen op te halen. [eiser] heeft daarom geen plek om te verblijven als hij op die datum in Nederland terugkomt vanuit de Verenigde Staten.
[gedaagde] moet [eiser] toegang geven tot de woning
2.2.
De kantonrechter acht het zeer aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat
sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen, omdat partijen hebben afgesproken dat [eiser] de zolderruimte tegen betaling van een geldsom van € 1.100,00 per maand mag gebruiken. [1] Partijen hadden dat kennelijk ook voor ogen bij het aangaan van de (schriftelijk vastgelegde) overeenkomst, aangezien daarin wordt gesproken van ‘rent’ die door ‘the tenant’ aan ‘the landlady’ moet worden betaald. Het stond [gedaagde] daarom niet vrij om de huurovereenkomst zonder geldige reden en op zo een korte termijn op te zeggen. [2] Dat wordt niet anders doordat [eiser] een deel van de voorzieningen in de woning met [gedaagde] deelt.
2.3.
In de overeenkomst is zelfs opgenomen dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en dat geen van partijen de overeenkomst binnen twaalf maanden en negentien dagen vanaf 18 mei 2025 kan opzeggen. Op zijn vroegst zou [gedaagde] de overeenkomst dus per 7 juli 2026 kunnen opzeggen, voor zover zij daarvoor een geldige reden heeft. [3] De enige reden voor de opzegging lijkt op dit moment echter te zijn dat [eiser] via een juridische ondersteuner aanspraak heeft gemaakt op huurprijsverlaging. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] in afwijking van het contract maar voor een periode van drie maanden zou huren, wordt op geen enkele manier onderbouwd.
2.4.
De kantonrechter zal de gevorderde voorlopige voorzieningen daarom toewijzen zoals gevorderd. Dat betekent dat [gedaagde] [eiser] per direct toegang tot de zolderruimte en de gedeelde voorzieningen moet geven en een dwangsom moet betalen voor elke dag of gedeelte daarvan dat zij dat niet doet.
in reconventie
2.5.
[gedaagde] heeft tijdens de zitting een tegenvordering ingediend. Zij wil dat wordt geoordeeld dat er geen sprake is van een huurovereenkomst, dat de tijdelijke inwoning per 1 juli 2025 rechtsgeldig is opgezegd, dat [eiser] geen recht meer heeft op toegang tot de woning, en dat [eiser] zich van het adres moet uitschrijven. Daarnaast vordert [gedaagde] vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de juridische stappen van [eiser] . Gelet op hetgeen in conventie is overwogen, worden die vorderingen afgewezen.
in conventie en reconventie
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
2.6.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
913,45
2.7.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] per direct ongestoord huurgenot te verschaffen van de zolderruimte en de gedeelde voorzieningen in de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] ,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 913,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
3.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van nihil,
in conventie en reconventie
3.6.
verklaart dit vonnis, met uitzondering van de beslissing bij randnummer 3.4., uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.

Voetnoten

1.Artikel 7:201 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 7:271 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.In de zin van artikel 7:274 van Pro het Burgerlijk Wetboek.