Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
proces-verbaal van aangifte [2] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
ter terechtzittingvan 29 januari 2025 verklaard:
proces-verbaal van aangifte met bijlage [3] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Bijlage [4] bij het onder bewijsmiddel 1 genoemde proces-verbaal van aangifte inhoudende een WhatsApp-gesprek tussen verdachte en de vader van aangever, [A] bevat voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven – de volgende teksten:
- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 29 januari 2025;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 25 juli 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
- een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 19 december 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- een reclasseringsrapport ten behoeve van de rechtszitting van 19 juni 2024, opgemaakt door reclasseringswerker M. van Norde van Reclassering Nederland,
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstrafvan
8 (acht) maanden;
de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden,
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast;
voorwaardegeldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 6.500,-, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 12 juli 2016 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 6.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 12 juli 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 67 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.