Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 3 juni 2025;
- het verweerschrift van [verweerder] van 30 juni 2025.
Rechtbank Midden-Nederland
De arbeidsovereenkomst tussen verzoekster, een besloten vennootschap, en verweerder, die sinds 1 november 2018 in dienst is, is ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Verzoekster heeft op grond van artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g BW ontbinding verzocht omdat partijen het niet eens konden worden over de invulling van de werkzaamheden en herplaatsing niet mogelijk was.
Verweerder betwist de feiten niet en erkent dat hem geen verwijt treft. De kantonrechter constateert dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van verzoekster niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten en dat er geen opzegverbod van toepassing is.
De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding toe met ingang van 1 september 2025. Tevens wordt verzoekster veroordeeld tot betaling van een beëindigingsvergoeding van €25.000 bruto, waarin de wettelijke transitievergoeding is inbegrepen. De proceskosten worden gecompenseerd zodat partijen hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 september 2025 met betaling van een beëindigingsvergoeding van €25.000 bruto.