ECLI:NL:RBMNE:2025:3390

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
11734931 \ AE VERZ 25-38
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • D.C.P. Straver
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b BWArt. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:670 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met beëindigingsvergoeding

De arbeidsovereenkomst tussen verzoekster, een besloten vennootschap, en verweerder, die sinds 1 november 2018 in dienst is, is ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Verzoekster heeft op grond van artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g BW ontbinding verzocht omdat partijen het niet eens konden worden over de invulling van de werkzaamheden en herplaatsing niet mogelijk was.

Verweerder betwist de feiten niet en erkent dat hem geen verwijt treft. De kantonrechter constateert dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van verzoekster niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten en dat er geen opzegverbod van toepassing is.

De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding toe met ingang van 1 september 2025. Tevens wordt verzoekster veroordeeld tot betaling van een beëindigingsvergoeding van €25.000 bruto, waarin de wettelijke transitievergoeding is inbegrepen. De proceskosten worden gecompenseerd zodat partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 september 2025 met betaling van een beëindigingsvergoeding van €25.000 bruto.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Amersfoort
zaaknummer: 11734931 AE VERZ 25-38 SV/40160
Beschikking van 15 juli 2025
inzake
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V. mede handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: [verzoekster] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. S.J.M. Peters,
tegen:
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [verweerder] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. J. Witvoet.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 3 juni 2025;
  • het verweerschrift van [verweerder] van 30 juni 2025.
1.2.
Partijen hebben op 3 juli laten weten dat zij overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop de arbeidsovereenkomst zal worden afgewikkeld als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling van het verzoek niet doorgegaan.
1.3.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
[verweerder] is sinds 1 november 2018 in dienst van [verzoekster] .
2.2.
[verzoekster] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 1 september 2025.
2.3.
[verzoekster] voert daartoe aan dat tussen partijen verschil van inzicht is ontstaan over de wijze waarop [verweerder] invulling dient te geven aan de door hem uit te voeren taken. Ondanks inspanningen van partijen is het niet gelukt om het verschil van inzicht te overbruggen en in overleg tot een aanvaardbare oplossing te komen. Hiervan kan geen der partijen een verwijt worden gemaakt. Herplaatsing in een andere passende functie is niet mogelijk gebleken. De arbeidsverhouding is zodanig verstoord geraakt dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren.
2.4.
[verweerder] betwist niet hetgeen door [verzoekster] aan het verzoek ten grondslag is gelegd. [verweerder] benadrukt zich steeds naar behoren voor zijn werk te hebben ingezet en dat hem van de ontstane situatie geen verwijt treft. Het verzoek houdt volgens hem geen verband met enig opzegverbod.

3.De beoordeling

3.1.
Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond als vermeld in lid 1 van dat artikel. De kantonrechter dient die redelijke grond te onderzoeken op grond van artikel 7:671b lid 2 BW. De kantonrechter heeft geconstateerd dat partijen het eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, dat de verstoring zodanig is dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren, dat geen van de partijen hiervan een verwijt treft en dat er geen herplaatsing van [verweerder] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk is.
3.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is voorts onderzocht of een opzegverbod ingevolge art 7:670 BW Pro of enig ander opzegverbod geldt. Dat is niet het geval.
3.3.
Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.
3.4.
Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, moet het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald. Er is geen wettelijk bezwaar de arbeidsovereenkomst te ontbinden per de datum die partijen zijn overeengekomen, te weten 1 september 2025.
3.5.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 25.000,- bruto, waarin - zo begrijpt de kantonrechter - de wettelijke transitievergoeding van € 16.850,24 bruto is inbegrepen. [verzoekster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
3.6.
De proceskosten worden gecompenseerd.

4.De beslissing

De kantonrechter:
- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;
- bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 september 2025;
- veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een bedrag te betalen van € 25.000,- bruto;
- wijst af het meer of anders verzochte;
- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P. Straver, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.