Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:3307

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
C/16/592734 / JE RK 25-655
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wijziging zorgregeling door gecertificeerde instelling wegens gebrek aan belang

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om de zorgregeling voor drie minderjarige kinderen te wijzigen, zodat zij tien dagen bij de vader en vier dagen bij de moeder zouden verblijven, met regie bij de GI. De vader stemde in met het verzoek, met een kleine aanpassing in de weekendindeling. De moeder verzette zich tegen de wijziging en betoogde dat de huidige 50/50-verdeling gehandhaafd moest blijven, mede vanwege haar zorgen over intieme terreur door de vader en kritiek op het onderzoek van de MASIC.

De kinderrechter nam kennis van de lopende echtscheidingsprocedure waarin ook een gewijzigde zorgregeling wordt vastgesteld. Omdat in die procedure nog een definitieve beslissing moet worden genomen over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van de kinderen, achtte de rechter het niet wenselijk dat in deze procedure ook een zorgregeling wordt vastgesteld. Dit zou tot verwarring kunnen leiden.

Daarom wees de kinderrechter het verzoek van de GI af bij gebrek aan belang. De beschikking werd gegeven door kinderrechter T. Dopheide en is openbaar uitgesproken op 8 juli 2025. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de zorgregeling door de gecertificeerde instelling wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/592734 / JE RK 25-655
Datum uitspraak: 8 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.G.M. ter Avest,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.E. Kievit.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2025;
  • het verzoek tot specificatie van de zorgregeling van de vader van 5 juni 2025;
- het verweerschrift van de moeder met zelfstandige verzoeken van 5 juni 2025;
  • de gespreksverslagen en bevindingen van de GI van 6 juni 2025;
  • de producties van de vader van 6 juni 2025.
1.2.
Op de zitting heeft de advocaat van de moeder een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
1.3.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 10 juni 2025. Tegelijkertijd is de zaak bekend onder zaaknummer C/16/547352 /FA RK 22-2384
(echtscheiding)behandeld, waarop in een aparte beschikking is beslist.
Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
  • mevrouw [A] en mevrouw [B] , vertegenwoordigers van de GI;
  • mevrouw [C] van Kind en ik.
De Raad is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de Raad wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 29 januari 2024 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 29 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 februari 2024 heeft de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:
  • iedere vrijdagmiddag om 16.30 uur hebben de kinderen en de vader een videobelmoment voor de duur van in ieder geval vijf minuten;
  • de kinderen zijn eerst twee weken achter elkaar, vanaf het moment dat Het Opstapje beschikbaar is, op zondag bij de vader van 10.00 uur tot 14.00 uur, waarbij de overdracht en het omgangsmoment worden begeleid door hulpverlening van Het Opstapje en waarbij de partner van de vader en haar kind niet aanwezig zijn bij de omgang;
  • op de twee zondagen daarna zijn de kinderen van 10.00 uur tot 18.30 uur bij de vader, waarbij de overdracht wordt begeleid door Het Opstapje en waarbij de partner van de vader en haar kind niet aanwezig zijn bij de omgang;
  • daarna zijn de kinderen de ene week op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur (na het avondeten) bij de vader en de andere week op zaterdag van 15.30 uur (na de zwemles) tot en met zondag 18.30 uur (na het avondeten), waarbij de overdracht zo lang als nodig wordt begeleid door Het Opstapje.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de door de rechtbank op 15 februari 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zo te wijzigen dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] iedere twee weken tien dagen bij de vader verblijven en vier dagen bij de moeder en dat de regie over de omgangsregeling bij de GI ligt, zodat de GI kan ingrijpen wanneer dit nodig is.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vader is het eens met het verzoek. Hij vraagt wel de verdeling van de zorg- en opvoedtaken zo vast te stellen dat de kinderen in de even weekenden bij hem zijn en in de oneven weekenden bij de moeder.
4.2.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de huidige 50/50-verdeling wordt vastgesteld. De moeder is het niet eens met de bevindingen van de MASIC. Volgens de moeder is er wel sprake van intieme terreur door de vader. Het onderzoek is een oppervlakkige analyse, terwijl juist de details in zaken van intieme terreur belangrijk zijn. In het onderzoek wordt nauwelijks ingegaan op de bewijsstukken die zeer schadelijk gedrag van de vader jegens de moeder behelzen. Daarnaast had de moeder geen idee welke informatie de vader met de onderzoeker deelde. De moeder is in haar verweerschrift uitgebreid ingegaan op het onderzoek en waarom zij van mening is dat er wel sprake is van intieme terreur.

5.De beoordeling

De kinderrechter zal het verzoek van de GI bij gebrek aan belang afwijzen. De reden hiervoor is dat in de zaak bekend onder zaaknummer C/16/547352 /FA RK 22-2384
(echtscheiding)nog een definitieve beslissing genomen moet worden op de verzoeken van de ouders over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . In die procedure heeft de vader geen gewijzigd verzoek gedaan tot vaststelling van een zorgregeling. Uit hetgeen naar voren is gebracht tijdens de zitting leidt de kinderrechter echter af dat de vader de zorgregeling zoals de GI die heeft verzocht, ook wenst (met de door hem verzochte specificatie van de weekenden). Dat vat de rechtbank in die procedure op als een verzoek van de vader tot vaststelling van dezelfde zorgregeling als de in deze procedure door de GI verzochte zorgregeling. De kinderrechter vindt het niet wenselijk dat zowel in de onderhavige procedure, als in de echtscheidingsprocedure een zorgregeling wordt vastgesteld. Er kan dan immers verwarring of onduidelijkheid ontstaan wanneer één van beide in de toekomst wordt gewijzigd. De kinderrechter wijst het onderhavige verzoek van de GI dan ook af, bij gebrek aan belang.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. T. Dopheide, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Joosten als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.