Uitspraak
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.De achtergrond van de zaak
4.De beoordeling
135,00
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer was van mei tot november 2024 in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet werd verlengd. Zij vorderde onder meer een transitievergoeding, vakantietoeslag, vergoeding van niet-genoten vakantiedagen en wettelijke verhogingen wegens te late betalingen.
De werkgever betwistte het recht op transitievergoeding omdat de werknemer zelf het initiatief zou hebben genomen tot beëindiging van het dienstverband. De kantonrechter oordeelde dat dit niet voldoende was weersproken en wees de transitievergoeding af. Wel werd vastgesteld dat het loon over september en oktober 2024 te laat was betaald, waardoor de wettelijke verhoging en rente hierover werden toegewezen.
De vakantietoeslag werd grotendeels toegekend, maar de wettelijke verhoging hierover en over de eindejaarsuitkering werd gematigd tot nihil omdat de betaling binnen een maand na het einde van het dienstverband plaatsvond. De vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen werd toegekend inclusief wettelijke verhoging en rente. De vordering tot uitbetaling van compensatie-uren werd afgewezen. Tevens werd de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van een bruto-nettospecificatie en betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot transitievergoeding afgewezen; wettelijke verhoging over te laat betaald loon en betaling van niet-genoten vakantiedagen met rente toegewezen.