Eiseres stelde dat zij eind december 2022 een bedrag van 50.000 dollar tijdelijk in depot had gegeven bij een cliënt van gedaagde advocaat. Zij vorderde betaling van €14.000 van de advocaat, stellende dat deze zich schuldig had gemaakt aan heling van verduisterd geld of ongerechtvaardigde verrijking, omdat hij uit het depot was betaald voor zijn werkzaamheden en op de hoogte was van de herkomst van het geld.
Tijdens de mondelinge behandeling trok eiseres haar vorderingen tegen de cliënt in, zodat de procedure zich richtte op de advocaat. De kantonrechter oordeelde dat eiseres een spoedeisend belang had, maar dat de feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk waren om toewijzing in kort geding te rechtvaardigen. De advocaat stelde dat betalingen aan zijn werkgever waren gedaan en dat hij pas later van het depot wist.
De kantonrechter vond dat niet vaststond dat de advocaat de betalingen had ontvangen en dat hij op het moment van betaling op de hoogte was van het depot. Gezien de aard van de vordering en het ontbreken van voldoende bewijs was de zaak ongeschikt voor kort geding. De vordering werd afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.