Uitspraak
1.De procedure
- de producties 1-12 van [gedaagde partij]
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [gedaagde partij] .
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer, sinds 1 april 2017 in dienst als CFO, Manager Marketing en Teamleider Bedrijfsvoering, vordert nakoming van een vaststellingsovereenkomst die hij stelt te hebben gesloten met zijn werkgever, een rechtspersoon vertegenwoordigd door twee oud-bestuursleden. De overeenkomst zou in januari 2025 zijn gesloten en voorziet in een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van €150.000.
De werkgever betwist de rechtsgeldigheid van de overeenkomst, onder meer omdat de twee bestuursleden niet bevoegd zouden zijn geweest om de overeenkomst te sluiten en vanwege wilsgebreken. Daarnaast wijst de werkgever op het belang van een bodemprocedure om getuigen te horen en een vrijwaringsprocedure tegen de bestuursleden te kunnen voeren.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat het spoedeisend belang ontbreekt. De werknemer ontvangt een WW-uitkering en heeft geen zwaarwegend financieel belang bij een onmiddellijke voorziening. De procedure in kort geding is daarom niet geschikt. De vordering wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onduidelijkheid over rechtsgeldigheid.