ECLI:NL:RBMNE:2025:2349

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
15 mei 2025
Zaaknummer
UTR 25/205
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten bij intrekking beroep wegens te late beslissing WIA-herbeoordeling

De Willibrord Stichting heeft op 8 januari 2025 beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat UWV niet tijdig had beslist op haar verzoek van 14 oktober 2024 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Op 14 februari 2025 heeft UWV alsnog een besluit genomen, waarna de Willibrord Stichting het beroep heeft ingetrokken en vergoeding van proceskosten heeft gevraagd. UWV heeft niet gereageerd op dit verzoek.

De rechtbank oordeelt dat de intrekking van het beroep na tegemoetkoming door het bestuursorgaan leidt tot een vergoeding van proceskosten aan verzoekster. De vergoeding wordt berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast vanwege de beperkte aard van het geschil.

De rechtbank veroordeelt UWV tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat UWV verplicht is het griffierecht van € 385,- rechtstreeks aan verzoekster te vergoeden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2025.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan de Willibrord Stichting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/205

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2025 in de zaak tussen

De Willibrord Stichting voor RK, PC en Interconfessioneel Voortgezet Onderwijs,gevestigd te Utrecht, verzoekster,
(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 8 januari 2025 omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 14 oktober 2024 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) van [A]
Verweerder heeft op 14 februari 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast. Toegekend wordt € 453,50.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.