Uitspraak
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
3.
[eiser sub 3],
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser en gedaagde sloten een huurovereenkomst voor een jaar voor een woning aan een adres in een plaats. De huurovereenkomst liep van 1 april 2024 tot 31 maart 2025, maar gedaagde bleef na afloop in de woning verblijven. Eiser vorderde ontruiming en betaling van een gebruiksvergoeding voor de periode na het einde van de huur.
Gedaagde verscheen niet op de zitting en bracht geen verweer naar voren. De kantonrechter verleende verstek en beoordeelde of de vordering in strijd was met het recht of onterecht was ingesteld. Dit was niet het geval, en het spoedeisend belang van eiser werd vastgesteld omdat gedaagde geen recht meer had om in de woning te verblijven.
De kantonrechter oordeelde dat ontruiming binnen veertien dagen passend was, omdat eiser geen bijzondere redenen had aangevoerd voor een kortere termijn. Daarnaast werd een gebruiksvergoeding toegewezen gelijk aan de huurprijs plus servicekosten, conform wettelijke bepalingen. Gedaagde werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van een gebruiksvergoeding vanaf het einde van de huurovereenkomst.