De rechtbank Midden-Nederland heeft op 8 april 2025 een beschikking gegeven inzake de wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige van 15 jaar. De ouders, die gezamenlijk het gezag hebben, waren het niet eens over de zorgregeling: de vader wilde een co-ouderschapsregeling, terwijl de minderjarige en de moeder de voorlopige regeling, waarbij de minderjarige om de week van vrijdagavond tot maandagavond bij de vader verblijft, definitief wilden maken.
Na ontvangst van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en een zitting waarbij de ouders, de Raad en de minderjarige betrokken waren, heeft de rechtbank geoordeeld dat de voorlopige zorgregeling het beste aansluit bij het belang van het kind. De minderjarige kan zijn wensen goed verwoorden en geeft aan blij te zijn met deze regeling, die rust en duidelijkheid biedt en zijn ontwikkeling bevordert.
De rechtbank benadrukt dat een ruimere zorgregeling niet in het belang van het kind is, omdat dit het contact tussen vader en kind negatief kan beïnvloeden. Wel moet de minderjarige de ruimte krijgen om vaker of langer bij zijn vader te verblijven als hij dat wil. De ouders worden aangespoord om ruimte en flexibiliteit te bieden en goed contact te onderhouden.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt dat iedere ouder zijn eigen proceskosten draagt. Tevens is een brief aan het kind gestuurd waarin de beslissing en de overwegingen op begrijpelijke wijze zijn toegelicht.