Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:1779

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
25/2168
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1, tweede lid, onder e. WooArt. 4:8, eerste lid, AwbArt. 4.4, vijfde en zesde lid, WooArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing openbaarmaking informatie woning op grond van de Wet open overheid

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden om informatie over hun woning, waaronder foto’s van de binnenzijde, openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo).

De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang en de redelijke kans van slagen van het bezwaar. Het college erkent dat verzoekers vooraf bij het besluit betrokken hadden moeten worden, wat niet is gebeurd. Hierdoor konden verzoekers geen rechtsmiddel instellen tegen de openbaarmaking. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft, mede vanwege de persoonlijke levenssfeer die door de openbaarmaking wordt geraakt.

Het belang van verzoekers om verdere verspreiding van de informatie te voorkomen weegt zwaarder dan het algemene belang bij openbaarheid. Daarom wordt het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Het college wordt tevens verplicht het griffierecht aan verzoekers te vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot openbaarmaking van informatie over de woning wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2168

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2025 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden

(gemachtigde: mr. G.H. van Middelkoop).

Inleiding

1. Tussen verzoekers en [bedrijf] B.V. (het bouwbedrijf) speelt een geschil over de kwaliteit van de woning van verzoekers die door het bouwbedrijf is gebouwd.
2. Het bouwbedrijf heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) het college verzocht om informatie openbaar te maken over een
geknikte stempel(een afgebroken ondersteuningsbalk) in de woning van verzoekers. Met het besluit van 23 december 2024 heeft het college twee constateringsrapporten en een terugkoppeling van het controlebezoek openbaar gemaakt, waarbij persoonsgegevens van verzoekers onleesbaar zijn gemaakt. [1] In reactie op een e-mailbericht van het bouwbedrijf heeft het college ook (delen van) foto’s van de binnenzijde van de woning van verzoekers openbaar gemaakt.
3. Door een eigen Woo-verzoek hebben verzoekers er op 14 maart 2025 kennis van genomen dat er informatie over hun woning openbaar is gemaakt. Zij hebben kort daarna bezwaar ingesteld tegen het besluit van 23 december 2024 en hebben de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarover gaat deze zaak.
4. Het bouwbedrijf is uitgenodigd om als derde-belanghebbende deel te nemen maar heeft daarvan afgezien. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekers deelgenomen, het college werd vertegenwoordigd door diens gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst het spoedeisend belang. Hoewel de informatie al openbaar is, hebben verzoekers gevraagd om in afwachting van het besluit op bezwaar te voorkomen dat de informatie in de lopende geschilprocedure met het bouwbedrijf wordt gebruikt of op een andere wijze (verder) openbaar wordt gemaakt. Dat kan (mogelijk) worden voorkomen en daarmee hebben zij een spoedeisend belang.
7. De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens of het bezwaar van verzoekers redelijke kans van slagen heeft. Het college heeft op de zitting erkend dat verzoekers hadden moeten worden betrokken voordat het besluit werd genomen om de informatie over hun woning openbaar te maken. Het college wist dat er een geschil speelt tussen verzoekers en het bouwbedrijf en het gaat om informatie over de woning van verzoekers, waardoor kan worden verwacht dat zij bezwaren hebben tegen de openbaarmaking. Daarom had het college voor het besluit een zienswijze moeten vragen aan verzoekers, [2] had het besluit met hen moeten worden gedeeld en hadden zij de gelegenheid moeten krijgen om te verzoeken om een voorlopige voorziening voordat de informatie openbaar werd gemaakt. [3] Het college heeft daar dus een fout gemaakt, waardoor verzoekers niet op de hoogte waren van het besluit en daar ook geen rechtsmiddel tegen konden instellen. Het college heeft aangegeven dat verzoekers daarom niet wordt aangerekend dat zij te laat bezwaar hebben gemaakt. [4]
8. Volgens het college had het niet tot een andere uitkomst geleid als verzoekers wel bij het besluit waren betrokken. De voorzieningenrechter is daar niet van overtuigd. Het gaat hier om openbaarmaking van informatie over de woning van verzoekers, waaronder foto’s van de binnenzijde van hun woning. Dat raakt bij uitstek aan de persoonlijke levenssfeer. Daarbij is het adres van de woning wel leesbaar, waardoor voor het bouwbedrijf en anderen die verzoekers kennen duidelijk zal zijn dat de informatie over hun woning gaat. Het college heeft op de zitting aangegeven dat dit een worsteling is en dat daarom nog niet duidelijk is hoe het bezwaar zal uitvallen. De voorzieningenrechter is hierom van oordeel dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft.
9. Daarbij is in deze procedure geen (zwaarwegend) belang naar voren gebracht dat zich ertegen verzet om de openbaarmaking te schorsen totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekers hebben daar wel duidelijk belang bij: zij hebben uitgelegd dat de informatie die openbaar is gemaakt door het bouwbedrijf in de geschilprocedure is ingebracht en dat zij daardoor mogelijk worden benadeeld. Ook willen zij voorkomen dat de informatie met anderen wordt gedeeld. De voorzieningenrechter vindt daarom dat het belang van verzoekers hier zwaarder weegt dan het algemene belang van (directe) openbaarheid van overheidsinformatie.
10. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van verzoekers dat de informatie in afwachting van het besluit op bezwaar niet (langer) openbaar is, zwaarder weegt. Er bestaat daarom reden om een voorlopige voorziening te treffen.
11. De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit tot openbaarmaking. Hij realiseert zich dat openbaarmaking niet volledig ongedaan kan worden gemaakt omdat de informatie door derden is ingezien. De voorzieningenrechter verwacht wel dat het college zich maximaal inspant om ervoor te zorgen dat de informatie niet (verder) wordt gebruikt of verspreid. Dat betekent dat het college het bouwbedrijf zal moeten opdragen om de informatie terug te trekken uit de geschilprocedure en aan het college terug te sturen. Het bouwbedrijf mag de informatie op dit moment op geen enkele manier gebruiken.
12. Het verzoek om het college zolang het bezwaar loopt te verbieden om persoonsgegevens van verzoekers te delen met anderen (en in het bijzonder het bouwbedrijf) kan niet worden toegewezen, omdat dat te algemeen is en onvoldoende samenhangt met het besluit en het bezwaar dat voorligt. Het college heeft op de zitting toegezegd dat verzoekers zullen worden betrokken als er een nieuw Woo-verzoek wordt ingediend dat over hen gaat.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 23 december 2024 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 23 december 2024 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T. Könning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.
de griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e. van de Woo.
2.Gelet op artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Gelet op artikel 4.4, vijfde en zesde lid, van de Woo.
4.Met toepassing van artikel 6:11 Awb Pro.