Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 30 september 2024 met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8;
- de nadere producties 9 tot en met 14 van [gedaagde] ;
- de nadere producties 16 en 17 van [eiseres] .
2.Kern van de zaak
3.De beoordeling
De betalingsachterstand nummer [nummer] tot en met februari 2025: € 4.410,29
- explootkosten € 112,37
- griffierecht € 1.409,00
- salaris gemachtigde € 1.630,00 (2 punten x tarief € 815,00)
- nakosten € 135,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
4.De beslissing
- € 10.290,12 aan betalingsachterstand tot en met februari 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldag van de respectieve huurpenningen tot aan de dag van betaling;
- € 10.103,50 aan de nadien vervallen termijnen over de maanden maart en april 2025, onder verrekening van reeds betaalde huur voor deze maanden;
- € 4.410,29 aan betalingsachterstand tot en met februari 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldag van de respectieve huurpenningen tot aan de dag van betaling;
- € 5.243,34 aan de nadien vervallen termijnen over de maanden maart en april 2025, onder verrekening van reeds betaalde huur voor deze maanden;
- € 15.730,02 (te vermeerderen met de jaarlijkse indexatie) als vergoeding van de schade die door [eiseres] wordt geleden als gevolg van de voortijdige ontbinding van de huurovereenkomst. Dit bedrag is gelijk aan zes maanden huur. Dit bedrag moet worden verminderd met de inkomsten die [eiseres] zal hebben door het gehuurde ter beschikking te stellen aan een ander over deze periode;