Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- de advocaat van betrokkene;
- [A] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige;
- [B] , psychiater;
- [C] , geneesheer-directeur.
Rechtbank Midden-Nederland
De officier van justitie verzocht op 8 mei 2024 om een zorgmachtiging voor betrokkene voor zes maanden. De rechtbank kende aanvankelijk meerdere zorgmachtigingen toe, waarvan één tot 23 november 2024. Betrokkene was niet bij de zittingen aanwezig, en de rechtbank kon niet vaststellen of hij van de zittingen op de hoogte was.
Betrokkene stelde cassatie in tegen enkele beschikkingen. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van 17 juni 2024 wegens gebreken in de medische verklaring en wees het geding terug naar de rechtbank. Na terugwijzing behandelde de rechtbank het verzoek opnieuw op 5 maart 2025.
De rechtbank oordeelde dat op het moment van de vernietigde beschikking onvoldoende grond bestond voor het verlenen van de machtiging, omdat de medische verklaring dateerde van 30 april 2024 en betrokkene op 4 juni 2024 ontslagen was uit opname. Er ontbrak een actuele medische verklaring van een onafhankelijke psychiater. Zonder deze verklaring kan geen zorgmachtiging worden verleend, ook niet als overbruggingsmachtiging.
Betrokkene was wederom niet verschenen bij de zitting van 5 maart 2025, maar de rechtbank achtte dit niet schadelijk voor zijn belangen, mede omdat zijn advocaat verklaarde dat betrokkene geen zorgmachtiging wenste. Daarom wees de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek om een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van een actuele medische verklaring.