ECLI:NL:RBMNE:2025:1460

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
UTR 24/6284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling proceskosten na intrekking beroep wegens te late beslissing herbeoordeling WIA

Adecco Industrial Flex Solutions B.V. diende op 8 oktober 2024 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het UWV niet tijdig had beslist op haar verzoek van 1 september 2023 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Op 27 januari 2025 nam het UWV alsnog een besluit op het verzoek, waarna Adecco het beroep introk en vergoeding van proceskosten vorderde. Het UWV stemde in met betaling van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het UWV de proceskosten van Adecco moest vergoeden conform de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding werd vastgesteld op €453,50. Daarnaast is het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €371,- te vergoeden, maar dit moet Adecco rechtstreeks met het UWV regelen.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is op 19 maart 2025 openbaar uitgesproken door rechter R.C. Stijnen.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan Adecco na intrekking van het beroep wegens te late beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2025 in de zaak tussen

Adecco Industrial Flex Solutions B.V., te Zaltbommel, verzoekster

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 8 oktober 2024 omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 1 september 2023 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) van [A] .
Verweerder heeft op 27 januari 2025 alsnog een besluit genomen op het verzoek van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 4 maart 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.