Partijen, die een relatie hadden en samenwoonden, hadden na hun relatiebeëindiging in 2023 een omgangsregeling getroffen voor hun hond, waarbij de hond elk weekend bij de man verbleef. De man vorderde in kort geding nakoming van deze regeling, met een dwangsom bij niet-nakoming.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de man een spoedeisend belang had omdat hij de hond sinds januari 2025 niet meer had gezien. De kernvraag was echter wie de eigenaar van de hond was, omdat dit bepalend is voor de juridische kwalificatie van de omgangsregeling. De rechter achtte het aannemelijk dat alleen de vrouw eigenaar was, omdat zij de hond zelfstandig had aangeschaft toen de relatie tijdelijk was beëindigd.
De omgangsregeling werd daardoor aangemerkt als een onbenoemde (duur)overeenkomst die binnen redelijke grenzen kan worden opgezegd. Gezien de gespannen relatie en communicatieproblemen tussen partijen, kon de vrouw de regeling opzeggen. De man kon geen eigendomsrechten aanvoeren om de vrouw te dwingen de regeling voort te zetten. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.