Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser stelde dat een huurovereenkomst was gesloten waarbij hij een bouwsteiger aan gedaagde ter beschikking had gesteld tegen een huurprijs van € 500 per maand, en vorderde betaling over meerdere maanden.
Gedaagde betwistte het bestaan van een huurovereenkomst en weigerde te betalen. De rechtbank oordeelde dat niet was gebleken dat gedaagde akkoord was gegaan met het huuraanbod, ook niet stilzwijgend door gebruik van de steiger.
De steiger was aanvankelijk kosteloos ter beschikking gesteld na beëindiging van werkzaamheden. Pas in januari 2023 deed eiser een huuraanbod met terugwerkende kracht, waarop gedaagde niet reageerde. De rechtbank vond dat voortgezet gebruik niet volstond voor aanvaarding van een huurovereenkomst.
Een subsidiaire vordering uit ongerechtvaardigde verrijking werd niet toegelaten wegens procesorde en onvoldoende onderbouwing. De vorderingen tot rente en incassokosten werden eveneens afgewezen.
De kantonrechter wees de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten, die nihil werden begroot wegens afwezigheid van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot betaling van huur voor de bouwsteiger wordt afgewezen wegens ontbreken van een huurovereenkomst.