De zaak betreft een geschil over de huurprijs van een onzelfstandige woonruimte, waarbij de huurder een verlaging van de kale huurprijs heeft voorgesteld. De verhuurder wenst de oorspronkelijke huurprijs te handhaven. De huurcommissie wees een lagere huurprijs toe dan de verhuurder wilde, maar de verhuurder ging in hoger beroep bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelt dat de waardering van de woning plaatsvindt volgens het oude woningwaarderingsstelsel (WWSO), omdat de peildatum van de huurverlaging 1 december 2023 is, vóór inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur. De oppervlakte van de gezamenlijke woonkamer wordt volledig meegeteld, de gemeenschappelijke keuken niet vanwege de geringe grootte, en er wordt uitgegaan van vijf wooneenheden. Een toeslag van 15% wegens beschermd stads- en dorpsgezicht wordt afgewezen omdat de verhuurder onvoldoende heeft aangetoond dat er noodzakelijkerwijs gelden zijn besteed aan instandhouding van monumentale waarde.
De verhuurder kan haar beroep op redelijkheid en billijkheid niet laten slagen, omdat zij onvoldoende onderbouwing geeft en bekend had moeten zijn met de mogelijkheid van huurverlaging bij aankoop van het pand. De kantonrechter stelt het puntenaantal vast op 132 en de kale huurprijs op €327,99 per maand per 1 december 2023. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt de toepassing van het oude WWSO bij peildata vóór 1 juli 2024 en benadrukt de strikte toepassing van de huurprijswetgeving zonder afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid.