Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn aanvraag van 20 juni 2023 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden, wat niet in geschil is tussen partijen. Na ingebrekestelling op 3 juli 2024 stelde eiser op 27 juli 2024 beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. Dit volgt uit de toepasselijke wettelijke bepalingen en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij voor aanvullende compensatieaanvragen geen vooraankondiging vereist is en daarom geen extra tijd nodig is.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 50 per dag op voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€ 453,50) en het betaalde griffierecht (€ 51). De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en uitgesproken op 21 februari 2025.