Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:7605

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 december 2024
Publicatiedatum
10 maart 2025
Zaaknummer
573619
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot terugbetaling geldlening met rente en kosten

Eiser heeft een lening van € 28.800,00 verstrekt aan gedaagde, die deze niet volledig heeft terugbetaald. Eiser vordert betaling van € 26.900,00 vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Gedaagde voert geen verweer tegen de vordering.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om aanhouding, waarna zij gezamenlijk om vonnis vroegen. Eiser wijzigde zijn eis en gedaagde trok haar verweer in. De rechtbank oordeelt dat de vordering gegrond en niet onrechtmatig is.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van het gevorderde bedrag met rente vanaf 5 juni 2018 tot volledige betaling, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke kosten. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 26.900,00 met rente en € 1.044,00 aan buitengerechtelijke kosten, proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/573619 / HA ZA 24-200
Vonnis van 4 december 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaten: mr. J.A. Olydam & mr. Y. Pletting,
tegen
[gedaagde],
wonende op een geheim adres,
gedaagde,
advocaten: mr. K. Bozia & mr. P. Haricharan.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 maart 2024, met producties 1 tot en met 20;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;
  • de brief van 19 september 2024 van [gedaagde] , met productie 7;
  • de brief van 26 september 2024 van [eiser] , met producties 21 tot en met 24;
  • de brief van 27 september 2024 van [gedaagde] , met productie 8;
  • de brief van 30 september 2024 van [eiser] met producties 25 tot en met 27;
  • de mondelinge behandeling van 7 oktober 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
  • de brief van 23 oktober 2024 van [eiser] ;
  • de brief van 23 oktober 2024 van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern

[eiser] heeft een lening van € 28.800,00 verstrekt aan [gedaagde] , maar [gedaagde] heeft deze niet volledig terugbetaald. [eiser] vordert daarom betaling van € 26.900,00, vermeerderd met rente en kosten. Hierop heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] toe.

3.De beoordeling

3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om aanhouding van de zaak, wat de rechtbank heeft toegestaan. Hierna hebben beide partijen in de brieven van 23 oktober 2024 gevraagd om vonnis. Daarnaast heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en [gedaagde] haar oorspronkelijk verweer ingetrokken.
3.2.
De vorderingen van [eiser] komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen daarom worden toegewezen als volgt onder de beslissing.
3.3.
Hoewel [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, zal zij niet worden veroordeeld in de proceskosten. [eiser] heeft namelijk in zijn eiswijziging uitdrukkelijk vermeld geen proceskostenveroordeling meer te verlangen. De proceskosten zullen daarom tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.4.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 26.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 juni 2018, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.044,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
5315