Partijen zijn gehuwd sinds 2021 en hebben gezamenlijk een woning gehuurd. Na indiening van het echtscheidingsverzoek heeft de man zonder medeweten van de vrouw de huurovereenkomst van de oorspronkelijke woning opgezegd en een nieuwe huurovereenkomst afgesloten voor een andere woning. De rechtbank oordeelt dat het huurrecht van de oorspronkelijke woning niet meer aan partijen gezamenlijk toekomt en dat zij hierover niet kan beslissen omdat de verhuurder geen partij is in de procedure.
De rechtbank spreekt de echtscheiding uit op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Verder bepaalt zij dat de man met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de nieuwe woning. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van de man zwaarder weegt vanwege zijn gezondheidssituatie en sociale binding met de woonplaats.
De verzoeken van partijen om het huurrecht van de oorspronkelijke woning aan hen toe te wijzen worden afgewezen. Ook het verzoek van de vrouw om partneralimentatie wordt afgewezen omdat partijen overeenkomen dat de man momenteel geen draagkracht heeft. Verzoeken met betrekking tot schulden worden eveneens afgewezen omdat partijen hierover geen geschil hebben. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.