ECLI:NL:RBMNE:2024:7278

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 december 2024
Publicatiedatum
2 januari 2025
Zaaknummer
UTR 24/5938
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding wegens te late beslissing kinderopvangtoeslag

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft uiteindelijk op 12 september 2024 alsnog een besluit genomen, nadat de beslistermijn was verstreken. Verzoekster diende op 13 september 2024 haar beroep in wegens deze te late beslissing.

De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht is ingesteld omdat het besluit en het beroepschrift elkaar waarschijnlijk hebben gekruist. Daarom wordt verzoekster een proceskostenvergoeding toegekend van € 437,50, berekend op basis van het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden, maar dat verzoekster zich hiervoor tot verweerder moet wenden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 30 december 2024.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten wegens te late beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] (België), verzoekster

(gemachtigde: mr. R.E. Boogaards),
en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 22 september 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft op 12 september 2024 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. Verweerder heeft wel op 22 september 2024 een verweerschrift naar aanleiding van het beroep niet tijdig beslissen ingediend, waarin verweerder aangeeft dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding, omdat het beroep is ingediend nadat verweerder heeft beslist.
4. De rechtbank stelt vast de beslistermijn was verstreken en dat verweerder daarna op
12 september 2024 alsnog een besluit heeft genomen. Verzoekster heeft op 13 september 2024 een beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
5. Omdat verzoekster terecht in beroep is gekomen vanwege een veel te laat genomen besluit en het beroepschrift en het genomen besluit elkaar hoogstwaarschijnlijk hebben gekruist, kent de rechtbank verzoekster een vergoeding van de proceskosten toe. De hoogte van de proceskosten stelt de rechtbank vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). [1]
6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Conform de uitspraak van de Afdeling van bijvoorbeeld 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.