ECLI:NL:RBMNE:2024:7258
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde bedrijfswoning
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn bedrijfswoning, vastgesteld op €699.000,- per 1 januari 2021, en stelde een lagere waarde van €602.000,- voor. Verweerder handhaafde de waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare referentieobjecten werden gebruikt.
Tijdens de digitale zitting op 16 juli 2024 werden de beroepsgronden besproken. Eiser trok enkele gronden in en betwistte onder meer de vergelijking met referentieobjecten op basis van ligging, kwaliteit, gebruiksoppervlakte en bestemming. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de referentieobjecten vergelijkbaar waren en de taxateur de verschillen adequaat had toegelicht.
De rechtbank verwierp de beroepsgronden over ligging, kwaliteit, gebruiksoppervlakte en bestemming van de referentieobjecten. Een beroepsgrond over een verschil in grondwaarde werd buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €699.000 wordt ongegrond verklaard.