AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bevoegdheid kantonrechter bij vordering onder € 25.000 met betwisting rechtstitel
In deze civiele zaak vordert eiseres een bedrag van € 1.440,47 wegens niet tijdige betaling van twee facturen, inclusief wettelijke rente en incassokosten. Gedaagde betwist de bevoegdheid van de kantonrechter en stelt dat de rechtstitel een overeenkomst betreft met een waarde van € 37.500, waardoor de kantonrechter volgens haar niet bevoegd zou zijn.
De kantonrechter oordeelt dat de bevoegdheidsbeperking van artikel 93 sub a RvPro alleen geldt als partijen het oneens zijn over de vraag of de rechtstitel een hoger bedrag dan € 25.000 dekt. Hier is dat niet het geval; het geschil betreft slechts de vraag of gedaagde de rente en incassokosten verschuldigd is, niet de facturen zelf of de overeenkomst.
Daarom verklaart de kantonrechter zich bevoegd en wijst het incident tot onbevoegdverklaring af. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Voor de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bevolen om nadere inlichtingen te verkrijgen en te bezien of partijen tot een minnelijke regeling kunnen komen.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af.
Uitspraak
RechtbankMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11100125 \ UC EXPL 24-3175
Vonnis in incident van 20 november 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
verwerende partij in het incident,
gemachtigde: In-Kas Intermediair BV,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het incident,
gemachtigde: mr. A. van Oosten.
Partijen worden hieronder aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 april 2024 met producties,
- de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid met producties, - de incidentele conclusie van antwoord met producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er op 9 oktober 2024 een vonnis zou worden uitgesproken. Wegens omstandigheden is deze datum verschoven naar vandaag.
2.De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] vordert in incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] in de hoofdzaak. [gedaagde] betwist namelijk de rechtstitel van de vordering van [eiseres] in de hoofdzaak en volgens [gedaagde] bedraagt die rechtstitel daarnaast meer dan de kantongrens van € 25.000. Volgens [gedaagde] moet de zaak daarom worden verwezen naar een andere kamer. [gedaagde] voert echter alleen verweer tegen de vordering in de hoofdzaak, die lager is dan € 25.000. De kantonrechter is bevoegd.
3.De beoordeling in het incident
De kantonrechter is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres]
3.1.
vordert in de hoofdzaak een bedrag van € 1.440,47 van [gedaagde] . Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] twee facturen van in totaal € 12.989,35 niet op tijd voldaan, waardoor [gedaagde] haar wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn. Omdat [gedaagde] uiteindelijk wel € 12.989,35 aan [eiseres] heeft betaald, vordert [eiseres] het bedrag dat over is gebleven nadat die betaling in mindering is gebracht op de hoofdsom en de volgens haar verschuldigde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[gedaagde] vindt dat de kantonrechter op grond van artikel 93 onderPro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet bevoegd is om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Zij stelt dat [eiseres] zich voor de vordering in de hoofdzaak beroept op een (niet getekende) overeenkomst tussen partijen. Het totaal van de verschuldigde bedragen op grond van die overeenkomst is € 37.500.
3.3.
Uit artikel 93 sub a RvPro volgt dat de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van vorderingen tot een bedrag van € 25.000. Volgens die bepaling is hierop een uitzondering als rechtstitel van een vordering meer dan € 25.000 bedraagt én die rechtstitel betwist wordt.
3.4.
Van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 93 sub a RvPro is hier geen sprake. Volgens [eiseres] is de rechtstitel de overeenkomst van 29 augustus 2023. Hoewel die overeenkomst met € 37.500 een beloop heeft van meer dan € 25.000, is de kantonrechter op grond artikel 93 sub a RvPro alsnog bevoegd om over de vordering van [eiseres] te beslissen. De beperking van de bevoegdheid geldt namelijk alleen als partijen het oneens zijn over de vraag of met die rechtstitel een hoger bedrag gevorderd kan worden, dan het bedrag dat in de procedure wordt gevorderd. [1] Hier is in dit geval geen sprake van.
3.5.
Uit de stellingen van [gedaagde] blijkt dat alleen het gevorderde bedrag in de hoofdzaak ter discussie staat en niet het totale bedrag waarop de overeenkomst van 29 augustus 2023 betrekking had. Het geschil tussen partijen gaat slechts over de vraag of [gedaagde] wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten moet betalen aan [eiseres] , door de twee facturen niet op tijd te betalen. [gedaagde] betwist dat door aan te voeren dat zij de facturen wel op tijd heeft betaald. De facturen zelf staan niet ter discussie. [gedaagde] heeft beide facturen namelijk betaald. [gedaagde] heeft ook de overige facturen betaald, die [eiseres] op basis van de overeenkomst van 29 augustus 2023 heeft gestuurd. Hoewel [gedaagde] aanvoert dat de overeenkomst van 29 augustus 2023 niet getekend zou zijn, zijn partijen het eens dat de facturen op grond van die overeenkomst terecht zijn verstuurd. Omdat [gedaagde] dus alleen verweer voert tegen het bedrag dat [eiseres] in de hoofdzaak vordert, is de kantonrechter op grond van artikel 93 sub a RvPro bevoegd om van die vordering kennis te nemen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
200
(1 punt × € 200)
- nakosten
€
100
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
300
4.De beoordeling in de hoofdzaak
4.1.
De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
4.2.
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, die nog niet eerder zijn toegestuurd, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
4.3.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
4.4.
Tijdens of na de mondelinge behandeling kan de kantonrechter direct mondeling uitspraak doen.
4.5.
Indien partijen zonder dat daaraan voorafgaand een mondelinge behandeling wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat op de hierna te bepalen rolzitting kenbaar te maken.
4.6.
De kantonrechter geeft partijen in overweging deze zaak onderling op te lossen gezien het beperkte belang.
4.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5.De beslissing
De kantonrechter
in het incident
5.1.
wijst de vordering van [gedaagde] af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 300 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
in de hoofdzaak
5.4.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
5.5.
bepaalt dat [eiseres] en [gedaagde] dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
5.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 december 2024voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden januaritot en met maart 2025, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
5.7.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
5.8.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
5.9.
wijst partijen er op, dat voor de zitting 90 minutenzal worden uitgetrokken.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T van Rens en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.