De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2021, die momenteel verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin. De moeder heeft het ouderlijk gezag en onderhoudt gestructureerd contact met de minderjarige, terwijl de pleegouders zorgdragen voor een stabiele opvoedingssituatie.
De kinderrechter heeft op 31 oktober 2024 mondeling uitspraak gedaan en deze schriftelijk uitgewerkt op 18 november 2024. De ondertoezichtstelling is sinds 2021 van kracht en is meerdere malen verlengd. De machtiging tot uithuisplaatsing is eveneens verlengd tot 15 november 2024. De GI verzoekt nu om een verlenging van zes maanden, tot 15 mei 2025.
Uit het perspectiefonderzoek blijkt dat de minderjarige niet meer bij haar ouders kan opgroeien en dat het pleeggezin het perspectief biedt. Er loopt een hechtingsbevorderende therapie en een VIB-traject om de ouders te ondersteunen. De moeder werkt goed mee, accepteert adviezen en onderhoudt positief contact met de pleegouders. De kinderrechter onderschrijft het standpunt van de GI dat de minderjarige bij de pleegouders moet blijven en dat er een zorgvuldige overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden.
De kinderrechter besluit de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 15 mei 2025 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.