ECLI:NL:RBMNE:2024:6307

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 mei 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
UTR 24/1665
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake toelating zoon op school

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het bericht van Stichting Openbaar Basisonderwijs Hilversum (STIP) waarin werd medegedeeld dat voor zijn zoon een passende school was gevonden en dat daarmee de zorgplicht van de huidige school zou vervallen. De voorzieningenrechter heeft op 16 mei 2024 de zaak behandeld en het verzoek afgewezen.

De kern van het oordeel is dat de e-mail van 8 januari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoewel in de e-mail werd vermeld dat de zorgplicht van de huidige school zou vervallen, is dit niet bedoeld als een rechtsgevolg of verwijdering van de zoon van de school. De zoon staat nog steeds ingeschreven en STIP is actief betrokken bij zijn ontwikkeling en het zoeken naar een passende plek.

De voorzieningenrechter benadrukte dat de e-mail een informerend karakter heeft en onderdeel is van het proces om een geschikte school te vinden. Daarom kan niet worden beslist dat de zoon een reguliere plek moet krijgen op de huidige school. De rechter hoopt dat het zittinggesprek bijdraagt aan een spoedige hervatting van het schoolbezoek in het belang van de zoon.

Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de e-mail van STIP geen besluit is en geen rechtsgevolg heeft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1665

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

16 mei 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Yandere),
en

Stichting Openbaar Basisonderwijs Hilversum, STIP

(gemachtigde: A. Boogaard).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het bericht van STIP van 8 januari 2024 waarin staat dat voor [zoon] (verzoekers zoon) een passende school is gevonden en dat daarmee de zorgplicht van de [school 1] vervalt.
Verzoeker is het daar niet mee eens en wil dat [zoon] op de [school 1] wordt toegelaten.
De voorzieningenrechter heeft op 6 mei 2024 vragen gesteld aan STIP en deze zijn door STIP op 8 mei 2024 beantwoord. Ook zijn er op 14 en 15 mei 2024 nog enkele stukken van partijen ontvangen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, T. Yilihamu als tolk en de gemachtigde van STIP. Ook zijn aanwezig: [A] ( [functie 1] STIP),
[B] (Unita), [C] (intern begeleider [school 1] ) en [D] ( [functie 2] STIP en voorheen directeur van de [school 1] ).
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijke kans van slagen omdat de e-mail van 8 januari 2024 van STIP niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze e-mal staat onder andere: “Op zoek naar een passende school voor [zoon] hebben we, samen met het samenwerkingsverband Unita, de [school 2] gevonden als een passende plek voor [zoon] . Met het vinden van deze passende plek vervalt de zorgplicht van de [school 1] ." Er is geen sprake van een rechtsgevolg – ondanks de onhandige passage dat de zorgplicht vervalt – omdat niet is bedoeld om [zoon] te verwijderen van de [school 1] . Hij staat daar dan ook nog ingeschreven. De voorzieningenrechter leidt uit het dossier af, en ook op de zitting is dat gebleken, dat STIP erg betrokken is bij de ontwikkeling van [zoon] en dat er actief wordt gezocht naar een geschikte plek voor hem. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de voorstellen die in april en mei 2024 zijn gedaan. De e-mail is een onderdeel van dat proces en heeft in zoverre een informerend karakter.
3. De voorzieningenrechter kan dus niet beslissen dat [zoon] een reguliere plek moet krijgen op de [school 1] . Maar de voorzieningenrechter hoopt dat het gesprek op zitting eraan bijdraagt dat [zoon] zo spoedig mogelijk weer naar school gaat, omdat dit in
zijnbelang is.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024 door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.