Verzoekster diende op 26 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar in het kader van de kinderopvangtoeslag. Verweerder, de Dienst Toeslagen, nam op 4 juni 2024 alsnog een beslissing op bezwaar. Hierna trok verzoekster het beroep in en vroeg zij vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting, omdat voldoende informatie aanwezig was. Verweerder reageerde niet op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar had in een eerder verweerschrift aangegeven geen bezwaar te hebben tegen vergoeding, met een voorgestelde wegingsfactor van 0,25.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op €437,50, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor van 0,5. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van €51,- te vergoeden. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoekster.