Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de afwijzing van een Wajong-uitkering door het UWV. Eiser had de aanvraag op 22 mei 2023 ingediend, welke werd afgewezen. Na bezwaar op 3 juli 2024 handhaafde het UWV het besluit. Eiser ging in beroep bij de rechtbank Midden-Nederland.
De kern van het geschil was of eiser voldeed aan de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, namelijk dat hij binnen zes maanden na het einde van zijn studie duurzaam geen arbeidsvermogen had. De rechtbank stelde vast dat eiser op 30 januari 2015 zijn diploma had behaald en dat vanaf 1 juli 2015 het arbeidsvermogen duurzaam ontbrak. Dit betekent dat eiser in het jaar voorafgaand aan het ontbreken van arbeidsvermogen meer dan zes maanden had gestudeerd.
Het UWV erkende deze feiten tijdens de zitting. De rechtbank oordeelde daarom dat het UWV ten onrechte de uitkering had geweigerd. De beslissing op bezwaar werd vernietigd en de rechtbank bepaalde dat eiser met ingang van 5 januari 2023 recht heeft op een Wajong-uitkering. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal € 3.049,- aan eiser.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 11 oktober 2024 door rechter A. de Snoo en griffier R. van Manen. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.