ECLI:NL:RBMNE:2024:6170
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt recht op WW-uitkering ondanks eigen toedoen werknemer
De werknemer was in een tijdelijk dienstverband werkzaam dat van rechtswege eindigde. Hij had zelf aangegeven het contract niet te willen verlengen, wat ertoe leidde dat de werkgever geen vast contract aanbood. Het UWV kende de werknemer daarop een WW-uitkering toe, ondanks het bezwaar van de werkgever die stelde dat de werknemer verwijtbaar werkloos was.
De rechtbank stelde vast dat het UWV in het bestreden besluit een onjuiste wettelijke grondslag had gehanteerd door niet te beoordelen of voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van de werknemer kon worden gevergd. Wel oordeelde de rechtbank dat het UWV met aanvullende motivering aannemelijk had gemaakt dat voortzetting niet redelijkerwijs kon worden verlangd vanwege de omstandigheden en het gebrek aan adequate ondersteuning door de werkgever.
De rechtbank concludeerde dat het gebrek in het besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd omdat niemand door het gebrek benadeeld werd. Het beroep van de werkgever werd ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft de WW-uitkering terecht toegekend.