ECLI:NL:RBMNE:2024:5970

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
C/16/575946 / JL RK 24-425
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen bij vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen bij hun vader. De kinderen zijn onder toezicht gesteld tot 18 januari 2025 en wonen momenteel bij hun vader. De moeder is niet verschenen bij de zitting, maar was correct opgeroepen.

De kinderrechter stelt vast dat het goed gaat met de kinderen bij de vader, die hen rust, stabiliteit en veiligheid biedt na een bewogen periode bij de moeder. Er is een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend bij de moeder verblijven, maar de moeder werkt hier niet altijd aan mee, mede door haar recente bevalling en beperkte woonruimte. Ouders zijn gestart met ouderschapsbemiddeling en aanvullende hulp zal worden ingezet.

Gezien het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en de huidige situatie, acht de kinderrechter verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De machtiging wordt verlengd tot 18 januari 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen bij de vader wordt verlengd tot 18 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/575946 / JL RK 24-425
Datum uitspraak: 9 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2024;
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • mevrouw [A] , namens de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 januari 2024 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 18 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 januari 2024 een machtiging verleend [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 18 juli 2024.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal hieronder toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het gaat goed met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij vader. Vader biedt de rust, stabiliteit en veiligheid die [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nodig hebben nadat zij bij moeder een bewogen jaar hebben meegemaakt. Er is een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend bij moeder verblijven, maar moeder werkt hier geregeld niet aan mee. Vader vindt dit lastig nu hij vaak in het weekend moet werken en dan ad hoc oppas moet regelen. Moeder is in januari bevallen van een zoon en verblijft in een kleine woning waarbij de kinderen, als ze bij haar verblijven, in de woonkamer moeten slapen. Voor de kinderen is het een teleurstelling als de omgang steeds niet doorgaat. Ouders zijn gestart met ouderschapsbemiddeling waarbij de eerste individuele gesprekken hebben plaatsgevonden. Komende periode zal er gestart worden met de gezamenlijke gesprekken. Daarnaast zal er ook gestart worden met 10 voor toekomst, die zal helpen in de thuissituatie bij vader. Het is van belang dat de kinderen gedurende de ondertoezichtstelling bij vader verblijven. Om die reden zal ook de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing worden verlengd.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader tot 18 januari 2025;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024 door mr. M.A. Pot, kinderrechter, in aanwezigheid van W.P.J. Rubingh als griffier, en op schrift gesteld op 26 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.