Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:5967

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
16/177231-22 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze strafzaak vorderde de officier van justitie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €170.948,64, gebaseerd op een berekening van de politie. Betrokkene werd echter vrijgesproken van het feit waarop deze berekening was gebaseerd. De verdediging voerde aan dat de vordering afgewezen moest worden vanwege de vrijspraak en betwijfelde de onderbouwing van het ontnemingsbedrag.

De rechtbank oordeelde dat vanwege de vrijspraak niet kan worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hierdoor is de grondslag voor de ontnemingsvordering komen te vervallen. De rechtbank wijst daarom de vordering van de officier van justitie af.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 23 oktober 2024, na een terechtzitting op 9 oktober 2024. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, waarmee de procedure in deze zaak wordt beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank spreekt betrokkene vrij en wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/177231-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2024 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[betrokkene],
geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.L. Rinsma en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 4 september 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie werd geschat op € 122.547,16.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering opgehoogd dient te worden en dat uitgegaan moet worden van de berekening zoals door de politie is gedaan in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 13 maart 2018. De officier van justitie heeft gelet op het vorenstaande ter terechtzitting gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 170.948,64.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dit feit.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat op basis van de aangetroffen situatie (een kale ruimte) geen beredeneerde schatting gemaakt kan worden van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Meer subsidiair voert de raadsman aan dat, gelet op het tijdsverloop, een compensatie zou moeten volgen ten aanzien van het ontnemingsbedrag.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft betrokkene in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/177231-22 bij vonnis van 23 oktober 2024 vrijgesproken van het (onder 4 ten laste gelegde) feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak kan niet worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zodat de rechtbank de vordering van de officier van justitie moet afwijzen.

3.BESLISSING

De rechtbank:
-
wijstde vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel,
af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2024.
Mr. J. Wiersma en mr. G.S.M. van Duinkerken zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.