In deze kortgedingprocedure vorderen eisende partijen dat gedaagde een aantal roerende zaken en de bedrijfsadministratie aan hen afgeven. Gedaagde had alle aandelen in eiser sub 1 overgedragen aan zijn zoons, die bestuurder zijn van eiser sub 2. Eisende partijen stellen dat gedaagde bepaalde zaken die haar toebehoren onder zich houdt.
De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang en of de vorderingen kans van slagen hebben in de bodemprocedure. Het spoedeisend belang wordt erkend voor de afgifte van de roerende zaken, omdat deze nodig zijn voor de bedrijfsactiviteiten. Voor de bedrijfsadministratie is het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Ten aanzien van de roerende zaken wordt vastgesteld dat een deel daarvan eigendom is van eiser sub 1, terwijl voor een ander deel onvoldoende bewijs is geleverd. De vordering tot afgifte van de zaken die eigendom zijn van eiser sub 1 en van de zaak die eigendom is van eiser sub 2 wordt toegewezen. Er wordt een dwangsom opgelegd, gemaximeerd op €10.000,00. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.