Uitspraak
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen twee besloten vennootschappen die samenwerken als vermogensbeheerders. [Eiseres] B.V. vordert betaling van openstaande kwartaalfacturen en toekomstige facturen van [gedaagde] B.V., gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst uit 2011 en een beloningsbeleid dat sinds 2018 geldt.
[Gedagde] betwist de vorderingen en voert aan dat er geen spoedeisend belang is en dat zij verantwoordelijk is voor de vaststelling van de vaste beheervergoeding, niet [eiseres]. De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat [eiseres] voldoende inkomsten heeft ontvangen en nog zal ontvangen in 2024, en dat er geen aannemelijke dreiging is van betalingsonmacht.
Daarnaast is niet vastgesteld wie bevoegd is de vaste beheervergoeding te verhogen, waardoor de vordering niet als onbetwist kan worden aangemerkt. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang en de betwisting van de vordering, wijst de kantonrechter de vorderingen af en veroordeelt [eiseres] in de proceskosten.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vorderingen af wegens ontbreken van spoedeisend belang en veroordeelt eiseres in de proceskosten.