Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 6 maart 2024 waar door de gemachtigde van [gedaagde] voor dupliek is gereageerd.
Rechtbank Midden-Nederland
Gedaagde ontvangt zorg waarvoor een eigen bijdrage van €19 per maand geldt. Het CAK vordert betaling van zes facturen over de periode augustus 2021 tot april 2022, die volgens het CAK niet zijn voldaan. Gedaagde stelt dat hij deze facturen al heeft betaald en overlegt betalingsbewijzen. Het CAK legt uit dat deze betalingen zijn afgeboekt op oudere openstaande facturen, waardoor de betreffende facturen alsnog openstaan.
De kantonrechter oordeelt dat het CAK de betalingen terecht heeft afgeboekt op oudere facturen, behalve voor de betaling van maart 2022, die onterecht op een oudere factuur is afgeboekt. Hierdoor moet gedaagde alsnog betalen voor de facturen van augustus tot en met november 2021, april 2022 en juni 2021. Het beroep op verrekening faalt omdat gedaagde geen vordering op het CAK heeft en de gemaakte kosten niet zijn aangetoond.
De wettelijke rente over het openstaande bedrag wordt toegewezen, maar de vordering van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat de werkzaamheden van het CAK onder de procesvoorbereiding vallen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €119,56 en de proceskosten van €358,49. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €119,56 aan het CAK en de proceskosten van €358,49.