ECLI:NL:RBMNE:2024:5773
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- I.L. Gerrits
- R.A. Hebly
- J.A. Koorevaar
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in vordering tot ontneming wederrechtelijk voordeel
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 9 oktober 2024 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de veroordeelde. Voorafgaand aan de terechtzitting was een schikking overeengekomen tussen partijen, vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst op 22 juli 2024, waarbij de schikking alleen in werking treedt indien de rechtbank in de hoofdzaak conform de procesafspraken een einduitspraak doet.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde conform de procesafspraken was veroordeeld, waardoor de opschortende voorwaarde voor de schikking was vervuld. Echter was nog niet aan de voorwaarden van de schikking voldaan, waardoor de ontnemingszaak niet van rechtswege kon eindigen. De rechtbank overwoog dat hoewel partijen met de schikking beoogden een inhoudelijke beslissing op de vordering te voorkomen, de wet niet voorziet in het automatisch beëindigen van de ontnemingszaak voordat aan de schikkingstermijnen is voldaan.
Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van I.L. Gerrits en de rechters R.A. Hebly en J.A. Koorevaar, en uitgesproken op 9 oktober 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.