In deze strafzaak is veroordeelde veroordeeld voor het opzettelijk overschrijden van het pluimveerecht op haar bedrijf in de jaren 2019 en 2020. Dit leidde tot het genieten van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft het voordeel berekend op basis van de lease-inkomsten die veroordeelde ontving door het verleasen van meer pluimveerechten dan toegestaan.
Voor 2019 is vastgesteld dat de overschrijding 3.084 pluimveerechten betrof, met een gemiddeld leasebedrag van €0,979 per recht, resulterend in een voordeel van €3.019,24. Voor 2020 bedroeg de overschrijding 2.325 pluimveerechten, waarbij de rechtbank uitging van een gemiddelde prijs van €1,083 per recht, wat resulteerde in een voordeel van €2.517,96.
De verdediging voerde aan dat het voordeel lager vastgesteld moest worden vanwege een bijzondere situatie en de wijze van prijsbepaling, maar de rechtbank verwierp dit betoog. De totale betalingsverplichting werd vastgesteld op €5.537,22, te voldoen aan de staat. De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 16 september 2024, waarbij de rechters J.P. Verboom, H.A. Brouwer en M.J. Westerink het vonnis hebben gewezen.