ECLI:NL:RBMNE:2024:5508

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
578033
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling na beëindiging gezamenlijk gezag in complexe ouderlijke situatie

De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 september 2024 besloten de ondertoezichtstelling van een tienjarig meisje te verlengen tot 5 september 2025. Dit besluit volgt op de beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag, waarbij de vader het eenhoofdig gezag kreeg toegewezen. De moeder verloor daarmee haar gezagsrechten.

De ondertoezichtstelling bestaat sinds december 2017 en is sindsdien meerdere malen verlengd vanwege bedreigingen in de ontwikkeling van het kind. Ondanks langdurige ondersteuning lukt het de moeder onvoldoende om samen met de vader afspraken te maken en het kind buiten de conflicten te houden. De minderjarige woont officieel bij de moeder maar verblijft gelijk verdeeld bij beide ouders.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft om de ouders te begeleiden bij het vormgeven van de nieuwe situatie met eenhoofdig gezag en om in te grijpen indien nodig. Tevens is het van belang dat de minderjarige zelf hulp krijgt om haar gevoelens en ervaringen te kunnen uiten over haar leven in twee verschillende werelden.

De moeder had verzocht om een kortere verlenging met aanhouding van het overige deel, maar de rechtbank ziet hier geen aanleiding toe nu het gezagsvraagstuk definitief is beslist. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 5 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/578033 / JE RK 24-1136
Datum uitspraak: 3 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, hierna: de GI,
gevestigd in Utrecht,
over
[minderjarige], geboren op [2014] in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.J.A. Roeleven,
[de vader], hierna: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.E. Vries.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft op 10 juli 2024 het verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de GI. Daarna heeft de kinderrechter op 1 september 2024 het verweerschrift van de moeder (met bijlagen) ontvangen.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 september 2024. Het verzoek van de GI is tegelijk behandeld met de verzoeken van de vader en de moeder (zaak- en rekestnummer C/16/576321 / FO RK 24/690). De beslissing op die verzoeken is opgenomen in een aparte beschikking. Bij de gecombineerde zitting waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [A] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder waren gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Op 3 september 2024 heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd en beslist dat de vader vanaf nu alleen met het gezag is belast.
2.2.
[minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder. Ze verblijft de helft van de tijd bij de vader en de helft van de tijd bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2017 [minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 5 september 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, tot 5 september 2025. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij zo beslist.
4.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] wordt nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is een meisje van tien jaar oud dat opgroeit in twee totaal verschillende werelden. Er is al bijna zeven jaar een ondertoezichtstelling, maar het lukt de moeder nog steeds onvoldoende om gezamenlijk tot afspraken te komen en om [minderjarige] buiten deze strijd te houden. Op 3 september 2024 heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd en de vader belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI het komende jaar betrokken blijft om de ouders te ondersteunen bij het vormgeven van de nieuwe verhoudingen tussen hen en in te grijpen als dat nodig is. Deze situatie zal formeel wijzigen gelet op het eenhoofdig gezag, maar dat neemt de dynamiek tussen de ouders niet helemaal weg. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat er hulp voor [minderjarige] zelf wordt ingezet, zodat zij iemand heeft bij wie zij haar verhaal kwijt kan. Het is belangrijk dat dit in het kader van de ondertoezichtstelling wordt opgepakt. De kinderrechter ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, de ondertoezichtstelling te verlengen voor zes maanden met aanhouding van het overige deel nu de rechtbank een eindbeslissing heeft genomen in de procedure over het gezag en de omgangsregeling.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 5 september 2025;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 19 september 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.