Uitspraak
1.De procedure
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 1 mei 2024, waarin het antwoord van [gedaagde] is vastgelegd,
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres en gedaagde sloten een vijfjarige overeenkomst waarbij eiseres de reclame van gedaagde in een bioscoop zou vertonen. Gedaagde betaalde de factuur over 2023 niet en stelde zich op het standpunt dat zij de overeenkomst tussentijds had opgezegd en dat de reclame niet werd uitgezonden.
De kantonrechter oordeelde dat gedaagde de factuur van 2023 moet betalen, aangezien zij de vordering erkende en het ontbreken van middelen of een faillissement niet tot kwijtschelding leidt. Tevens zijn de toekomstige termijnen opeisbaar omdat de algemene voorwaarden bepalen dat bij niet-betaling alle resterende termijnen ineens verschuldigd zijn.
Gedaagde kon niet aantonen dat de reclame niet werd vertoond en de opzegging werd betwist door eiseres. De contractuele rente van 1,5% per maand over het openstaande bedrag vanaf de dag van dagvaarding werd toegewezen, evenals buitengerechtelijke incassokosten, die ambtshalve werden gematigd tot een redelijk bedrag. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van €7.972,59 plus rente en proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van €7.972,59 plus rente en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.