ECLI:NL:RBMNE:2024:5333

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
UTR 24/1721
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking beroep wegens overschrijding beslistermijn en toekenning proceskostenvergoeding

Verzoekster diende op 12 maart 2024 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het bestuursorgaan niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 25 juli 2023 tegen een besluit van 17 juli 2023.

Op 30 mei 2024 nam het UWV alsnog een besluit op het bezwaar. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde zonder zitting dat het UWV de proceskosten van verzoekster moest vergoeden, omdat het bestuursorgaan aan het verzoek van verzoekster tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen. De proceskosten werden vastgesteld op € 218,75, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte aard van het geschil.

Daarnaast werd verwezen naar de wettelijke verplichting voor het UWV om het betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het UWV moet wenden.

De uitspraak werd op 27 augustus 2024 openbaar uitgesproken door rechter R.C. Stijnen.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1721

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Heijnen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 12 maart 2024
omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 25 juli 2023 tegen het besluit van 17 juli 2023.
Verweerder heeft op 30 mei 2024 alsnog een besluit genomen op het bezwaar van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.