Uitspraak
1.De procedure
- het proces-verbaal van de rolzitting van 5 juni 2024, waar [gedaagde] op de dagvaarding heeft gereageerd,
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een vordering van VGZ Zorgverzekeraar tegen een verzekerde voor betaling van openstaande premies en zorgkosten over de periode oktober 2019 tot en met augustus 2020. VGZ vorderde €1.466,30 vermeerderd met rente en kosten. De verzekerde stelde dat hij in december 2023 een bedrag van €1.100,00 had betaald en ervan uitging dat daarmee alles was voldaan.
VGZ heeft niet gereageerd op deze stelling en kon ook tijdens de mondelinge behandeling niet verklaren waarom de openstaande vordering niet eerder was vermeld. De verzekerde mocht daarom aannemen dat hij met de betaling alles had voldaan. Dit werd versterkt door het feit dat de verzekerde inmiddels bij een andere zorgverzekeraar was verzekerd, wat niet mogelijk is bij openstaande premies.
De rechtbank oordeelde dat de vordering van VGZ afgewezen moest worden en compenseerde de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter op 21 augustus 2024.
Uitkomst: De vordering van VGZ wordt afgewezen omdat de verzekerde mocht aannemen dat hij alles had betaald.