Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:5053

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
580070 / HA RK 24-154
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verschoningsverzoek wegens schijn van partijdigheid rechter

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verschoningskamer van Rechtbank Midden-Nederland op 22 augustus 2024 een verzoek tot verschoning toegewezen. Het verzoek werd ingediend door een bestuursrechter die betrokken is bij de hoofdzaak met zaaknummer AWB 22/4146. De rechter heeft zelf het verzoek ingediend nadat zij ontdekte dat een vriendin van haar, werkzaam bij het Openbaar Ministerie namens de Minister van Justitie en Veiligheid, een aanvullend besluit in bezwaar had genomen.

Hoewel de verzoekster stelt dat zij onpartijdig en zonder vooringenomenheid kan handelen, acht zij het risico op de schijn van partijdigheid te groot, zeker gezien de gevoeligheid van de zaak. De verschoningskamer toetste het verzoek aan de artikelen 8:15 en 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat rechters zich kunnen verschonen bij feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid kunnen schaden.

De kamer concludeerde dat de relatie tussen de verzoekster en de besluitnemer in de hoofdzaak aanleiding geeft tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor schijn van partijdigheid. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen en is de zaak overgedragen aan een andere rechter. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter wordt toegewezen wegens de schijn van partijdigheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 580070 / HA RK 24-154
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 22 augustus 2024
op het verzoek in de zin van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:
mr. A.A.M. Elzakkers,
bestuursrechter,
(verder te noemen: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
De verschoningskamer heeft op 20 augustus 2024 het verzoek tot verschoning
ontvangen. Dit verzoek is ingediend in de zaak met zaaknummer AWB 22/4146 (hierna: de hoofdzaak). Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.
1.2.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft het volgende aan haar verschoningsverzoek ten grondslag gelegd. Bij lezing van het dossier is verzoekster erachter gekomen dat er een aanvullend besluit (in bezwaar) op 20 maart 2024 is genomen door een vriendin van verzoekster, mr. [A] . Meer specifiek is het besluit genomen door het Openbaar Ministerie, oftewel de Minister van Justitie en Veiligheid, namens de Minister, het College van procureurs-generaal en namens het College, het Hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken: mr. [A] . Mr. [A] komt in het verdere procesdossier niet voor, maar op dit moment is niet te achterhalen of zij wel in de geheime ongelakte stukken voorkomt. Dit zijn namelijk meerdere stapels papieren stukken.
2.2.
Verzoekster vindt dat zij deze zaak onpartijdig en zonder vooringenomenheid kan behandelen, maar stelt dat zij zich kan voorstellen dat het wel de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid kan opwekken. Aangezien zij dit wil voorkomen, zeker omdat het om een zeer gevoelig zaak gaat, heeft zij het verschoningsverzoek ingediend.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
Artikel 8:19 Awb Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 Awb Pro. Artikel 8:15 Awb Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten namelijk vertrouwen kunnen hebben in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
Het oordeel van de verschoningskamer
3.4.
Uit het verschoningsverzoek blijkt dat verzoekster de persoon kent die een besluit in de hoofdzaak namens verweerder heeft genomen. De rechter heeft daarin aanleiding gezien om zelf een verzoek in te dienen zich te mogen verschonen. De verschoningskamer is van oordeel dat er op grond van die omstandigheid sprake kan zijn van een uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid als bedoeld in overweging 3.3. Het verschoningsverzoek zal daarom worden toegewezen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot verschoning toe;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling bestuursrecht en de president van deze rechtbank;
Deze beslissing is gegeven door mr. L.C. Michon, voorzitter, en mr. J.P. Killian en mr. R.C. Stijnen, als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. S. Bazaz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.