ECLI:NL:RBMNE:2024:4939

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 augustus 2024
Publicatiedatum
14 augustus 2024
Zaaknummer
UTR 23/6219
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens vertraagde herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Verzoekster diende op 18 december 2023 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 13 oktober 2022 om herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid. Verweerder nam op 2 februari 2024 alsnog een besluit. Vervolgens trok verzoekster het beroep in en vroeg vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting, omdat voldoende informatie beschikbaar was. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen indien het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroepschrift.

Verweerder had geen bezwaar tegen betaling van de proceskosten. De rechtbank stelde de proceskosten vast op €218,75, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte aard van de zaak (alleen overschrijding beslistermijn). Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van €365,- rechtstreeks aan verzoekster te vergoeden.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Verweerder is veroordeeld tot betaling van €218,75 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6219

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 18 december 2023
omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 13 oktober 2022 om herbeoordeling arbeidsongeschiktheid.
Verweerder heeft op 2 februari 2024 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.