Art. 220 lid 2 RvArt. 93 onder c RvArt. 71 lid 2 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwijzing van civiele zaak naar kantonrechter wegens onbevoegdheid rechtbank
Eiser en gedaagde hebben een agentuurovereenkomst gesloten die inmiddels is geëindigd. Eiser vordert boetes op grond van een boetebeding uit deze overeenkomst. In het incident verzoekt eiser de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter en om voeging met een lopende zaak te gelasten vanwege verknochtheid.
De rechtbank oordeelt dat zij onbevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen omdat de vorderingen voortvloeien uit een agentuurovereenkomst, welke volgens artikel 93 onderPro c Rv door de kantonrechter wordt behandeld. Daarom wordt de zaak naar de kantonrechter verwezen, niet op grond van artikel 220 lid 2 RvPro zoals eiser had verzocht, maar op grond van artikel 71 lid 2 RvPro.
De vordering tot voeging kan niet door de rechtbank worden beoordeeld en moet worden beslist door de kantonrechter na verwijzing. Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €614 aan gedaagde, omdat zij door haar keuze voor de verkeerde rechter de verwijzing noodzakelijk maakte.
De rechtbank wijst partijen erop dat zij niet hoeven te verschijnen bij de rolzitting van de kantonrechter en dat zij zich in de vervolgprocedure ook zonder advocaat kunnen laten vertegenwoordigen. Het betaalde griffierecht zal worden verlaagd en eventueel teveel betaalde griffierecht wordt teruggestort.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de kantonrechter, waarbij eiser veroordeeld wordt tot betaling van proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/574081 / HA ZA 24-212
Vonnis in incident van 31 juli 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident ex artikel 220 lid 2 RvPro,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F. Amien,
tegen
de vennootschap onder firma
[gedaagde sub 1] ,
gevestigd te Groningen, [gedaagde sub 2] ,
wonend te Groningen, [gedaagde sub 3] ,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident ex artikel 220 lid 2 RvPro,
hierna samen te noemen: [gedaagde c.s] ,
advocaat: mr. J.M. Brandsma.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie voor het verweer ex artikel 220 lid 2 RvPro - de conclusie van antwoord in het incident - de akte van uitlating van [eiser] .
1.2.
Daarna is bepaald dat vonnis in het incident zal worden gewezen.
2.De kern
2.1.
[eiser] en [gedaagde c.s] hebben met elkaar een (inmiddels geëindigde) agentuurovereenkomst gesloten. [eiser] stelt dat [gedaagde c.s] verschillende bepalingen uit de overeenkomst heeft overtreden en vordert van [gedaagde c.s] in de hoofdzaak de boetes volgens het boetebeding in de overeenkomst. [eiser] wil in het incident dat de rechtbank de zaak naar de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht verwijst en voegt (artikel 220 lid 2 RvPro) met een daar lopende zaak tussen partijen met ook de agentuurovereenkomst als kern van het geschil (verknochtheid). De rechtbank wijst de vordering tot verwijzing – hoewel op andere gronden – toe. De vordering tot voeging moet beslist worden na de verwijzing door de kantonrechter.
3.De beoordeling
De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar de kantonrechter
3.1.
De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat de zaak naar de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht moet worden verwezen, maar niet op grond van het door [eiser] aangevoerde artikel 220 lid 2 RvPro. De vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak vloeien namelijk voort uit de agentuurovereenkomst. Dit is een onderwerp dat, ongeacht het beloop of de waarde van de vorderingen, op grond van artikel 93 onderPro c Rv door de kantonrechter wordt behandeld. De rechtbank is niet bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De vorderingen moeten daarom verder worden behandeld en beslist door de kantonrechter.
3.2.
Aangezien de rechtbank onbevoegd is om over deze zaak te oordelen, is een verwijzing op grond van artikel 220 lid 2 RvPro niet mogelijk. De rechtbank verwijst de zaak op de voet van art. 71 lid 2 RvPro desalniettemin naar de kantonrechter, omdat [eiser] hier haar vordering had moeten indienen. De vordering van [eiser] tot verwijzing wordt dus, hoewel op andere gronden, toegewezen.
3.3.
De rechtbank kan, gelet op haar onbevoegdheid, ook niet over de gevorderde voeging (artikel 220 lid 2 RvPro) oordelen. De vordering tot voeging moet beslist worden na de verwijzing door de kantonrechter.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde c.s] in het incident betalen
3.4.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde c.s] in het incident betalen. Hoewel haar vordering gedeeltelijk is toegewezen, heeft [eiser] , door haar hoofdzaak bij de verkeerde rechter aan te brengen, een verwijzing naar de kantonrechter noodzakelijk gemaakt.
3.5.
De proceskosten in het incident aan de kant van [gedaagde c.s] worden begroot op € 614,00.
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen en verwijst deze – ook voor de beslissing tot voeging - in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Utrecht, op woensdag 14 augustusom 09:30 uur,
4.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
4.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
4.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZPro zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort,
4.5.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de kant van [gedaagde c.s] begroot op € 614,00,
4.6.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2024.