De zaak betreft een geschil tussen twee aandeelhouders, ieder houdend 50% van de aandelen in een noodlijdende vastgoedbeheer- en herontwikkelingsonderneming. Zij vorderen over en weer medewerking aan de prijsvaststelling van elkaars aandelen door een bindend adviseur en levering van deze aandelen met een korting van 40%. De achtergrond is een vaststellingsovereenkomst uit 2023 die een eerdere geschilregeling bevatte, maar waarbij nieuwe conflicten en liquiditeitsproblemen zijn ontstaan.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van een impasse en slechte financiële situatie met dreigende executie van vastgoed en terugtrekking van de accountant. Beide partijen hebben elkaar tekortkomingen verweten, waaronder het indienen van een faillissementsverzoek en het niet nakomen van betalingsverplichtingen. De rechtbank acht echter onvoldoende bewezen dat een van de partijen een bijzondere aanbiedingsplicht heeft om zijn aandelen tegen 60% van de waarde aan de ander aan te bieden.
De rechtbank benadrukt dat een keuze voor een van de partijen als overnemer geen directe oplossing biedt voor de liquiditeitsproblemen en de bestuurlijke impasse alleen kan verergeren. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vorderingen en tegenvorderingen. Proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.