Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:4597

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2024
Publicatiedatum
26 juli 2024
Zaaknummer
23/3331
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 1:6 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd bij niet-tijdige beslissing op melding discriminatie

Eiser diende een brief in waarin hij melding maakte van vermeende discriminatie op basis van geslacht en geaardheid binnen een lijst van toegestane voorwerpen op de cel. Hij verzocht om gelijke rechten voor het invoeren van huid- en haarverzorgingsproducten. De rechtbank oordeelde dat deze brief geen concreet verzoek tot het nemen van een bestuursrechtelijk besluit bevatte en daarmee niet kwalificeerde als een aanvraag volgens artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vervolgens stelde eiser dat verweerder niet tijdig had beslist op zijn brief, waarop hij verschillende vervolgstappen nam, waaronder een ingebrekestelling en een dwangsomvordering. Verweerder stelde dat de brief niet bekend was als aanvraag en dat de rechtbank daarom onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep.

De rechtbank bevestigde dat zonder een aanvraag geen besluit kan worden genomen en dat alleen tegen besluiten beroep kan worden ingesteld op grond van artikel 8:1 Awb Pro. Daarom verklaarde de rechtbank zich kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het geschil en wees het beroep af zonder inhoudelijke behandeling van overige beroepsgronden.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter L.M. Henderson en griffier M. Ait-Imchi op 23 juli 2024.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat de brief geen aanvraag is en daarom geen besluit is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3331

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser] , [verblijfplaats] , eiser

en
de Minister van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen,verweerder
(gemachtigde: J.A.M. de Jong).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn brief van 2 februari 2023.

Overwegingen

1. De rechtbank is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van eisers beroep. Daarom doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom zij kennelijk onbevoegd is. Onder ‘kennelijk’ wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
2. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder te laat heeft gereageerd op zijn brief van 2 februari 2023 over de ‘lijst voorwerpen op cel’. In deze brief schrijft eiser dat het in deze lijst opvalt dat hetero mannen wegens geslacht en geaardheid worden gediscrimineerd. Verder schrijft eiser: ‘daarom willen wij gelijke rechten als dames wat betreft het invoeren van “huid- en haarverzorgingsproducten”.’ Bovenaan de brief wordt als onderwerp vermeld ‘Voorkom discriminatie o.b.v. geslacht!’.
3. Op 22 maart 2023 heeft eiser nog een brief gestuurd aan verweerder met als onderwerp ‘bezwaar niet reageren op melding van discriminatie’. Op 10 mei 2023 heeft eiser aan verweerder een ingebrekestelling gestuurd. Op 5 juli 2023 heeft eiser bij verweerder een dwangsom gevorderd.
4. Verweerder heeft aangevoerd dat de brief van 2 februari 2023, de brief van 22 maart 2023 en de brief van 5 juli 2023 niet bij verweerder bekend waren. Enkel de ingebrekestelling van 10 mei 2023 had verweerder in bezit. Verder heeft verweerder aangevoerd dat de melding van 2 februari 2023 geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat de rechtbank op grond van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Awb onbevoegd is.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het antwoord op de vraag of een verzoek is gericht op het nemen van een besluit, zijn de inhoud en strekking van het verzoek bepalend.
6. In zijn brief van 2 februari 2023 maakt eiser melding van een situatie die hij als discriminerend kwalificeert. Hij vraagt vervolgens in algemene termen om gelijke rechten wat betreft het invoeren van huid- en haarverzorgingsproducten. Hij doet geen concreet verzoek om een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarmee is zijn brief naar inhoud en strekking onvoldoende concreet om te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
7. Nu geen sprake is van een aanvraag, kan ook geen sprake zijn van het niet tijdig beslissen op die aanvraag. Dat betekent dat er geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. [1] Nu ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb uitsluitend beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een besluit, is de rechtbank kennelijk onbevoegd kennis te nemen van dit geschil. [2] De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Henderson, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Ait-Imchi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:245.