ECLI:NL:RBMNE:2024:4079

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2024
Publicatiedatum
6 juli 2024
Zaaknummer
24/2505
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake terugvordering NOW-subsidie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de definitieve vaststelling van subsidie op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1). De minister had besloten dat verzoeker de verstrekte voorschotten moet terugbetalen omdat geen aanvraag was ingediend.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en stelt vast dat het griffierecht van €187,- niet binnen de gestelde termijn is betaald, ondanks een aangetekende aanmaning. Verzoeker heeft geen verontschuldiging gegeven voor het niet tijdig betalen.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2505

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister), namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de besluiten van de minister over de definitieve vaststelling van de subsidie op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1).
1.1.
Met de besluiten van 17 februari 2022 en 8 mei 2023 heeft de minister verzoeker meegedeeld dat het definitieve bedrag waarop verzoeker recht heeft niet kan worden berekend, omdat hij geen aanvraag heeft ingediend. De minister beslist dat verzoeker daarom de verstrekte voorschotten van € 1.878,- onderscheidenlijk € 1.938,- moet terugbetalen. Verzoeker heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
3.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 5 april 2024 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
3.2.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.