Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:3933

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 juni 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
UTR 23/4607
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na niet tijdig beslissen door college Gedeputeerde Staten Utrecht

Verzoeker diende op 16 februari 2023 een aanvraag in bij het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde verzoeker het college bij brief van 5 juni 2023 in gebreke. Omdat het college ook daarna niet binnen de wettelijke termijn besliste, stelde verzoeker op 20 september 2023 beroep in wegens niet tijdig beslissen.

Op 6 oktober 2023 nam het college alsnog een besluit en erkende het college in het verweerschrift van 10 oktober 2023 dat het niet tijdig had beslist. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker terecht beroep had ingesteld en dat het college met het alsnog nemen van het besluit tegemoet was gekomen aan het beroep. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde het college tot betaling van € 218,75 aan proceskosten. Daarnaast is het college gehouden het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden.

De rechtbank deed deze uitspraak zonder zitting en wees erop dat eventuele bezwaren tegen het besluit door het college zelf moeten worden behandeld. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht wordt veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht.

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om vergoeding van proceskosten. Dat verzoek heeft verzoeker gedaan nadat hij beroep had ingesteld omdat het college nog niet op een aanvraag van verzoeker had beslist.
1.1.
Verzoeker heeft op 16 februari 2023 het college verzocht een besluit te nemen. Bij brief van 5 juni 2023 heeft verzoeker het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen en op 20 september 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen.
1.2.
Op 6 oktober 2023 heeft het college alsnog beslist. Op 10 oktober 2023 heeft college op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarin verwijst het college naar het alsnog genomen besluit en erkent het college dat niet tijdig op de aanvraag is beslist.
1.3.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.
1.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Proceskosten beroep
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3. Het college heeft alsnog op de aanvraag beslist, maar dit was niet binnen een termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Ook heeft het college niet binnen die termijn meegedeeld dat binnen een andere redelijke termijn zou worden beslist. Verzoeker heeft het college in gebreke gesteld, maar ook toen is niet binnen twee weken op de aanvraag beslist. De conclusie is daarom dat verzoeker terecht beroep tegen het niet-tijdig beslissen heeft ingesteld, hetgeen het college onderschrijft. Met het alsnog nemen van een besluit, is het college aan verzoeker tegemoet gekomen.
4. Nu aan het beroep tegen het niet-tijdig beslissen tegemoet is gekomen en verzoeker het beroep heeft ingetrokken, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van het beroep. Voor zover verzoeker tegen het alsnog genomen besluit bezwaar heeft gemaakt bij het college, zoals door verzoeker meegedeeld bij het bericht van intrekking van het beroep, is het aan het college dit bezwaar verder te behandelen en een beslissing te nemen op het bezwaar.
5. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop stelt de rechtbank vast dat het college tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekster. Daarom bestaat in beginsel aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiser.
6. Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt het college in de door verzoekster in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). [3]
7. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het college gehouden is het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Voor de nieuwe lijn in de hantering van wegingsfactoren bij proceskostenvergoedingen verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.