Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 2], vennoot van gedaagde sub 1,
[gedaagde sub 3], vennoot van gedaagde sub 1,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Ontvankelijkheid
132,--
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer trad in december 2018 in dienst bij de werkgever en werkte als assistent bedrijfsleider. In september 2022 namen vennoten de vestiging over en besloten het personeel onder te brengen bij een payrollbedrijf, waarbij de werknemer zich niet inschreef. Hierdoor werd zijn salaris vanaf december 2022 niet betaald.
De werknemer meldde zich in februari 2023 ziek, wat door de werkgever werd geaccepteerd zonder inschakeling van een bedrijfsarts. Ondanks verzoeken tot betaling van achterstallig loon en re-integratie, betaalde de werkgever slechts het loon tot maart 2023 na aanvang van het kort geding. De werknemer vorderde loonbetaling vanaf december 2022 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, wettelijke verhogingen, rente, incassokosten en toelating tot werk.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer ontvankelijk was en dat de werkgever gehouden was tot loonbetaling, inclusief wettelijke verhogingen en rente, over de gehele periode. De vordering tot wedertewerkstelling werd eveneens toegewezen, met de kanttekening dat de werkgever eerst een bedrijfsarts moet inschakelen om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen. De buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten werden ook aan de werknemer toegekend.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhogingen, rente, incassokosten en toelating werknemer tot werk voor re-integratie.