Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:2781

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
UTR 22/4369 en 22/4373
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3 WbrArt. 4:84 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten minister inzake weigering ontheffing drive-thru’s bij wegrestaurants

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de weigering van de minister van Infrastructuur en Waterstaat om ontheffing te verlenen voor het realiseren van drive-thru’s bij wegrestaurants van eiseres. Na een eerdere tussenuitspraak waarin de rechtbank oordeelde dat de minister zonder toereikende motivering handelde, gaf de rechtbank de minister de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen.

De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak echter geen nieuwe besluitvorming verricht maar enkel een nadere motivering gegeven die feitelijk neerkomt op een herhaling en uitbreiding van de eerdere motivering, waarbij het oordeel van de rechtbank werd betwist. De rechtbank oordeelt dat dit niet voldoet aan de vereisten om het gebrek te herstellen.

De rechtbank blijft bij haar eerdere oordeel en vernietigt de bestreden besluiten van 28 juli 2022 wegens strijd met de artikelen 4:84 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De minister wordt opgedragen opnieuw te beslissen waarbij de eerdere uitspraken in acht moeten worden genomen.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 22 april 2024.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van 28 juli 2022 en beveelt hernieuwde besluitvorming door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/4369 en UTR 22/4373

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2024 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A.N. Baas)
en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigden: mr. L.J. Hamstra en L.L. Maasch).

Inleiding

1. Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 16 januari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:100), over het realiseren van ‘drive-thru’s’ bij de wegrestaurants van eiseres. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten van de minister van 28 juli 2022, waarbij zij de eerdere weigering heeft gehandhaafd om een ontheffing te verlenen op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Voor een beschrijving van de achtergrond van het geschil en van de procedure tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
2. In de tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat de minister zonder toereikende motivering heeft gehandeld in strijd met de als beleidsregel geldende ‘Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen’ (de Kennisgeving), door de aangevraagde drive-thru’s aan te merken als aanvullende voorziening. De rechtbank stelde de minister in de gelegenheid om dit motiveringsgebrek te herstellen, door de aanvragen van eiseres te beoordelen als aanvragen om uitbreiding van de basisvoorziening ‘wegrestaurant’. De minister zou daarbij moeten toetsen aan de criteria van artikel 3, eerste lid, van de Wbr, door een afweging te maken over het doelmatig gebruik van de drive-thru’s.
3. De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak – in door hem als beschikking aangeduide brieven – toegelicht dat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank en heeft opnieuw uiteengezet dat hij de weigering om de drive-thru’s als aanvullende voorziening te vergunnen handhaaft. Eiseres heeft daarop gereageerd.
4. De rechtbank heeft bepaald dat de zaak niet op een nadere zitting wordt behandeld en heeft het onderzoek op 27 maart 2024 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank merkt de brieven die de minister in reactie op de tussenuitspraak heeft gestuurd aan als nadere motivering van de besluiten van 28 juli 2022. De minister wijzigt immers niets aan de rechtsgevolgen van deze besluiten en handhaaft de weigering van de aangevraagde vergunningen. De brieven zijn daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank beoordeelt in deze einduitspraak of de minister met deze nadere motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.
6. De rechtbank mag alleen in bijzondere gevallen terugkomen op de oordelen die zij in de tussenuitspraak heeft gegeven. Zo’n bijzonder geval doet zich in deze zaak niet voor en de rechtbank blijft bij de tussenuitspraak.
7. De rechtbank constateert dat de minister geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. De nadere motivering is in feite niet meer dan een herhaling of uitbreiding van de eerdere motivering en een betwisting van het in de tussenuitspraak door de rechtbank gegeven oordeel. De mogelijkheid om met een bestuurlijke lus een gebrek in een besluit te herstellen, is echter niet bedoeld om de rechtbank te overtuigen dat van een gebrek geen sprake is. Daarmee zou de bestuurlijke lus immers een verkapt beroep tegen de tussenuitspraak worden. Om deze reden gaat de rechtbank niet in op de door de minister gegeven motivering.

Conclusie en gevolgen

8. Het gebrek is niet hersteld. De beroepen zijn gegrond. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak zal de rechtbank de besluiten van 28 juli 2022 vernietigen, wegens strijd met artikel 4:84 en Pro met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het gevolg hiervan is dat de minister gehouden is om opnieuw te beslissen om de bezwaren van eiseres, waarbij de minister de tussenuitspraak en deze uitspraak in acht moet nemen.
9. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden en krijgt zij een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangende zaken in de zin van het Bpb. Aan eiseres wordt voor beide zaken samen € 2.187,50 toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 28 juli 2022;
  • draagt de minister op het in zaak UTR 22/4369 betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in beide zaken in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.187,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. B. Fijnheer en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2024.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de tussenuitspraak of met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de tussenuitspraak of met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.