Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Inleiding
15 februari 2021 ziekgemeld in verband met gezondheidsklachten. Eiseres heeft vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) gekregen.
Overwegingen
- zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen;
- bevatten geen tegenstrijdigheden; en
- zijn voldoende begrijpelijk.
11 juli 2023. Deze periode ligt ruim na de datum in geding. Eiseres wijst verder op de behandelovereenkomst van de Zorgkliniek uit 2022waarin staat dat er diagnostisch gezien nog steeds sprake is van een persisterende depressieve stoornis en complex PTSS. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd dat dit duidt op een veranderend beloop van de klachten. Dit maakt niet dat per de datum in geding te weinig beperkingen zijn aangenomen. Eiseres heeft dit ook niet verder toegelicht. Bovendien wordt de diagnose PTSS niet ontkend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] volgt dat voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is niet een diagnose, maar de beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek per de datum in geding bepalend zijn. Het is de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Hoe eiseres zelf haar klachten en belastbaarheid ervaart, is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet doorslaggevend.
Conclusie en gevolgen
29 maart 2022 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.