ECLI:NL:RBMNE:2024:2119

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
C/16/570574 / JE RK 24-282
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling tussen minderjarige en familie tijdens ondertoezichtstelling

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen de minderjarige en haar tante en grootouders tijdens de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft in een gezinshuis en is sinds 2020 onder toezicht gesteld met verlengingen tot 2024. De tante en grootouders hebben een nauwe persoonlijke betrekking met de minderjarige, omdat zij eerder zorg en verantwoordelijkheid voor haar droegen.

De moeder stond niet afwijzend tegenover contact, maar verzette zich tegen logeerpartijen vanwege zorgen over drankmisbruik en mishandeling. De vader, tante en gezinshuismoeder steunden het verzoek. De kinderrechter oordeelde dat de zorgen van de moeder onvoldoende objectief waren, mede omdat veiligheidsafspraken met de grootouders waren gemaakt.

De omgangsregeling bepaalt dat de minderjarige eens per vier weken van vrijdag tot zondag bij haar tante verblijft en, indien gewenst, een nacht bij haar grootouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze geldt ook tijdens eventuele beroepsprocedures.

Uitkomst: De omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarige eens per vier weken bij haar tante verblijft en indien gewenst een nacht bij haar grootouders, en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/570574 / JE RK 24-282
Datum uitspraak: 5 april 2024
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van een omgangsregeling met grootouders en tante
in de zaak van
De gecertificeerde instelling
DE JEUGD & GEZINSBESCHERMERS, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] .
[tante],
hierna te noemen: de tante,
wonende in [woonplaats 1] ,
[grootouders] ,
hierna te noemen: de grootouders
,
wonende in [woonplaats 1] ,
[gezinsouders] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 9 februari 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 13 februari 2024;
  • drie e-mails van de moeder van 18 maart 2024;
  • de e-mail van de moeder van 19 maart 2024.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 19 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de tante moederszijde;
  • de gezinshuismoeder;
  • mevrouw [A] namens de GI.
De moeder en de grootouders vaderszijde waren niet bij de zitting aanwezig.
1.3.
De moeder heeft in haar e-mails van 18 maart 2024 en 19 maart 2024 verzocht om uitstel van de zitting, omdat zij door omstandigheden het dossier pas zeer laat heeft ontvangen waardoor zij zich niet voldoende heeft kunnen voorbereiden op de zitting. Dit verzoek is door de kinderrechter op de zitting afgewezen. Uit het procesdossier blijkt namelijk dat de moeder al lange tijd over het verzoekschrift van de GI beschikt. De rechtbank heeft de oproepbrief met het verzoekschrift op 21 februari 2024 via de aangetekende post aan de moeder verzonden. Uit het systeem van PostNL blijkt dat de moeder deze brief op 22 februari 2024 in ontvangst heeft genomen. De moeder beschikte dus vanaf die datum over het verzoekschrift en had voldoende tijd om zich voor te bereiden op de zitting. Bovendien hebben zowel de gezinsvoogd als de gezinshuismoeder op de zitting uitgelegd dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat er spoedig een beslissing wordt genomen over het contact met haar familie.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis in [locatie] in [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van 7 juli 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 juli 2024.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 7 juli 2020 ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 juli 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de volgende omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en haar familie:
- een keer in de vier weken verblijft [minderjarige] van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de tante en haar gezin;
- naar gelang [minderjarige] behoefte logeert zij een nacht bij de grootouders in het weekend waarin zij bij de tante verblijft.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De tante is een zus van de moeder. De grootouders zijn de ouders van de vader.

4.De standpunten

Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder heeft per e-mail aan de kinderrechter laten weten niet tegen omgang tussen [minderjarige] en haar familie te zijn. Maar zij is wel tegen het logeren van [minderjarige] bij haar familie, dit vanwege het drankmisbruik en vanwege de mishandeling die heeft plaatsgevonden.
Het standpunt van de vader
4.2.
De vader is het eens met het verzoek van de GI.
Het standpunt van de tante moederszijde
4.3.
De tante is het eens met het verzoek van de GI. Zij mist [minderjarige] heel erg en wil graag dat zij weer kan komen logeren. [minderjarige] is altijd welkom bij haar thuis.
Het standpunt van de gezinshuismoeder
4.4.
De gezinshuismoeder is het eens met het verzoek van de GI. De gezinshuismoeder ziet aan [minderjarige] dat zij heel erg veel behoefte heeft aan contact met haar familie.

5.De beoordeling

De beslissing

5.1.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen. Dat betekent dat zij de volgende omgangsregeling zal vastleggen tussen [minderjarige] en haar familie:
- [minderjarige] verblijft een keer in de vier weken bij tante moederszijde en haar gezin van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- waarbij [minderjarige] , als zij daar behoefte aan heeft, in het weekend dat zij bij de tante moederszijde verblijft, ook één nacht bij grootouders vaderszijde verblijft.
Hierna zal de kinderrechter uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Wat zegt de wet?
5.2.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In artikel 1:265g lid 1 BW staat niet vermeld ten aanzien van wie het recht op omgang met de minderjarige kan worden vastgesteld. Maar uit artikel 1:265g lid 2 BW, in welk artikel wordt terugverwezen naar artikel 1:265g lid 1 BW, volgt dat onder andere ‘omgangsgerechtigden’ een verzoek om omgang kunnen doen. Vervolgens is de categorie ‘omgangsgerechtigden’ echter niet nader bepaald. De kinderrechter is van oordeel dat – analoog aan het bepaalde in artikel 1:377a BW – een minderjarige ook tijdens de ondertoezichtstelling recht heeft op omgang met degenen tot wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat. Het kan hier gaan om familieleden met wie het kind een bijzondere band heeft. Dit betekent dat de GI op grond van artikel 1:265g lid 1 BW bevoegd was om dit verzoek bij de rechtbank in te dienen. De kinderrechter zal voor de beoordeling van dit verzoek moeten toetsen of er in dit geval een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen [minderjarige] en haar tante en grootouders. Als dit het geval is, zal de kinderrechter vervolgens moeten beoordelen of de vaststelling van een omgangsregeling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
De nauwe persoonlijke betrekking
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de tante en de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] staan. Zij licht dat hierna toe.
5.4.
De tante heeft [minderjarige] op 1 december 2019 in huis genomen, omdat beide ouders toen niet in staat waren om [minderjarige] een stabiele en veilige thuissituatie te bieden. [minderjarige] heeft tot 7 juli 2020 op de doordeweekse dagen bij de tante verbleven. In de weekenden verbleef [minderjarige] bij de grootouders. In deze periode heeft de tante dus een groot deel van de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige] op zich genomen. Nadat [minderjarige] op 7 juli 2020 in een crisispleeggezin was geplaatst, is de tante nog heel betrokken bij haar gebleven. Zij heeft [minderjarige] begeleid bij bijvoorbeeld doktersbezoeken. Vervolgens heeft [minderjarige] van eind 2020 tot september 2023 een weekend per maand én regelmatig in de vakanties bij de tante en haar gezin verbleven. In september 2023 is dit contact gestopt, nadat er een conflict was ontstaan tussen de moeder en de tante en de moeder niet meer instemde met het verblijf van [minderjarige] bij de tante. Gelet op het voorgaande concludeert de kinderrechter dat de tante sinds december 2019 een grote rol speelt in het leven van [minderjarige] . Op de zitting is verder gebleken dat de tante haar relatie met [minderjarige] als zeer warm en belangrijk ervaart. Ook heeft de gezinshuismoeder verteld dat [minderjarige] haar tante heel erg mist en dat zij graag weer bij haar tante zou willen logeren. Volgens de gezinshuismoeder vormt de tante voor [minderjarige] een stabiele en voorspelbare factor. Hieruit maakt de kinderrechter op dat [minderjarige] de band met haar tante zelf ook als een nauwe persoonlijke betrekking ervaart.
5.5.
De grootouders hebben in de periode van 1 december 2019 tot 7 juli 2020 tijdens de weekenden voor [minderjarige] gezorgd. Ook zij hebben in deze periode dus een belangrijk deel van de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige] op zich genomen. Vanaf de plaatsing in een pleeggezin en later het gezinshuis is [minderjarige] ook regelmatig bij haar grootouders geweest in de weekenden en in de vakanties. Haar vader woont bij zijn ouders, waardoor [minderjarige] ook contact heeft met haar grootouders op de momenten dat zij contact heeft met haar vader. Het verblijf van [minderjarige] bij haar grootouders is tijdelijk gestopt nadat de grootvader de broer van [minderjarige] een tik zou hebben gegeven en er vermoedens waren van alcoholgebruik door de grootouders. Hierover zijn daarna veiligheidsafspraken gemaakt. Ook de grootouders hebben dus de afgelopen jaren een grote rol gespeeld in het leven van [minderjarige] . Bovendien is op de zitting en uit de stukken gebleken dat [minderjarige] , hoewel zij het ook spannend vindt om weer bij haar grootouders te logeren, haar grootouders erg mist en graag contact met hen wil. Zij ervaart van haar kant dus ook een nauwe persoonlijke betrekking met hen.
De omgangsregeling
5.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kinderrechter een omgangsregeling kán vaststellen tussen [minderjarige] en haar tante moederszijde en grootouders vaderszijde. Vervolgens moet de kinderrechter toetsen of het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is om een omgangsregeling vast te stellen.
5.7.
De kinderrechter constateert aan de hand van wat de gezinshuismoeder op de zitting heeft verteld dat [minderjarige] haar tante en grootouders erg mist en dat zij veel behoefte heeft aan een structureel contact met deze familieleden. Tot een aantal maanden geleden logeerde [minderjarige] nog heel regelmatig bij haar familie. De kinderrechter vindt het daarom voor [minderjarige] van groot belang dat dit contact wordt hervat en wordt vastgehouden. Nu de moeder niet instemt met een verblijf van [minderjarige] bij haar familie, vindt de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de door de GI verzochte regeling wordt vastgelegd. Daarmee wordt voor [minderjarige] duidelijk waar zij aan toe is en kan zij erop vertrouwen dat de contactregeling niet opnieuw onderbroken wordt. Bovendien geeft deze regeling [minderjarige] de mogelijkheid om zelf te kunnen beslissen of zij – in het weekend dat zij bij haar tante verblijft – ook naar haar grootouders wil.
5.8.
De kinderrechter heeft gelezen dat de moeder zich zorgen maakt over het contact tussen [minderjarige] en haar familieleden. De kinderrechter ziet in deze zorgen echter geen reden om het verzoek af te wijzen of om een meer beperkte omgangsregeling vast te leggen. De kinderrechter ziet namelijk geen objectieve gronden voor de zorgen van de moeder, met name omdat de GI deze zorgen (deels) niet herkent en er inmiddels veiligheidsafspraken zijn gemaakt met de grootouders. Bovendien zal [minderjarige] volgens de door de GI verzochte regeling slechts gedurende één nacht in het weekend bij haar grootouders verblijven en verblijven [minderjarige] en haar broer niet meer gelijktijdig bij de grootouders. Hierdoor wordt het risico op de overbelasting van de grootouders verminderd.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
5.9.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kinderrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt als omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar familie:
- [minderjarige] verblijft een keer in de vier weken bij de tante en haar gezin van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- waarbij [minderjarige] , als zij daar behoefte aan heeft, in dit weekend ook één nacht bij de grootouders verblijft;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024, in aanwezigheid van mr. H.I.E. Mutsaerts als griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.